In de Grote Bergstraat woonden niet enkel chirurgijns, maar ook bekende tingieters. Op het einde van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de hield de Tiense tingilde op de Veemarkt een tinmarkt. Dit gebeurde op 28 mei, de feestdag van Sint-Germanus. De tingieters stalden hun producten uit, bestaande uit ronde en ovale schotels, die volgens Jan Wauters papschotels werden genoemd. Om de schotels te "dopen", bereidden de moeders 's avonds een heerlijke pap, die door de kinderen gretig uit de nieuwe schotels werden gegeten. Daarom heette de 28ste mei in de volksmond papkermis.
In de Grote Bergstraat nummer 17 woonden in 1775 Henricus Van de Plas en zijn huisvrouw Elisabetha Craesbeeck. Toen verkochten zij hun huijs hoff cum annexis ... op de groote Bergh straete aan sieur Francois Joseph Mofoit en zijn huisvrouw Anna Catharina de Groodt, die afkomstig was uit Aarschot. Mofoit of Mofroid was een bekende tin- en loodgieter. Hij werd geboren te Bouffioulx in Henegouwen op 7 maart 1745. Hij bekwam op 1 augustus 1774 het poorterschap te Tienen. Hij kocht en verkocht ook allerlei aardewerk en porselein, waarvoor hij op 26 september 1785 de toestemming had bekomen. Rond 1800 trad hij vaak als pompenmaker op en in 1818 werd hem het onderhoud van de helft der 28 stadspompen toevertrouwd. Hij overleed op hoge leeftijd op 28 december 1828 in zijn huis in de Grote Bergstraat. Talrijk zijn de tinnen voorwerpen die Moffroid vervaardigde, waaronder veel schotels. Na zijn dood veranderde zijn weduwe volgens Jan Wauters het magazijn om tot een kruidenierswinkel, samen met haar tweede ongehuwde dochter Johanna Catharina Mofroid.
In het pand, Grote Bergstraat 19, woonde Matthijs Barbier met sijne huijsvrouwe Maria Ambroes. Hij begon er een porseleinwinkel. Zijn dochter, Maria Carolina Barbier, maakte kennis met de tingieter Louis Joseph Huseweels, geboren in Mechelen op 15 augustus 1759, en trouwde met hem op 2 april 1788. Hij oefende het beroep van tingieter uit in het huis van zijn schoonvader, dat hij ook erfde. Huseweels stierf op 4 januari 1832 als rentenier in één van zijn twee huizen in de Kleine Bergstraat (nr. 19-21).
Het pand in de Grote Bergstraat hoorde in 1834 toe aan de weduwe van Egidius Moers, van wie het in 1837 was overgegaan naar de tingieter Joannes Guilielmus Ingendael, haar schoonzoon. Deze werd te Hechtel in Limburg geboren op 6 september 1804. Hij was uurwerkmaker in Sint-Truiden, toen hij op 29 februari 1832 in Tienen trouwde met Maria Ludovica Josephina Moers, geboortig van Sint-Truiden maar woonachtig in Tienen. Ingendael begon met een tingieterij in het huis van zijn schoonouders, waar voor hem Huseweels dit beroep had uitgeoefend. Zijn echtgenote stierf reeds op 26 juli 1837. Hij zelf overleed op 7 september 1849 in zijn huis op de Grote Bergstraat. In 1860 woonde in het huis Pierre Antoine Clément Ingeldael. De opkomst van porseleinfabrieken in het Brusselse betekende de doodsteek van de tingieterijen. Weldra werd het tinnen vaatwerk overal vervangen door het goedkopere porselein.
Bibliografie: Dr. P. Kempeneers, Thuis in Thienen, 1999.