Het noordelijke hoekhuis H 90 (Veldbornstraat en Ark van Noë) grensde aan twee zijden aan het groodt huijs van Joncker Negronij (1718). Dit huis stond op 19 meter van de straat af en werd na 1834 afgebroken. Hierbij lagen een tuin H 91 en een boomgaard H 84, met hierachter tot tegen de Sliksteenvest een groot stuk land, genummerd H 83. In totaal was het erf van Negroni bijna drie hectare groot.
In 1477 hoorde dit grote domein toe aan Jan vanden Steen, of in het Latijn Johannes de Lapide. In 1500 heet het hele domein het Hof vanden Steene. Volgens Jakinet werd negronens huysen tijdens de furie gespaard. In de oorspronkelijke Jakinet komt een verhaal voor over het huis van Negroni, dat ik voor de eerste maal publiceerde in Tienen in vroeger tijden. De inhoud is tragikomisch. Ik heb gemakshalve de tekst in het Nederlands herschreven.
Bij het innemen der stad Tienen had Jonker Negrona en Juffrouw Backs, zijn huisvrouw, met hun kinderen te voren de stad en hun huis verlaten. Ze waren naar Leuven gevloden en hadden hun kamenier [= kamervrouw, hofdame] alleen in het huis achtergelaten. Toen nu de stad ingenomen was, kwamen er twee Hollandse jonge soldaten het huis binnen. Ze vonden de kamenier in de boomgaard. Aangezien ze een mooie brunette was, verzochten ze haar te kussen met vriendschap. Hiertegen verzette ze zich om haar eer te bewaren. Tevergeefs worstelde ze tegen de twee soldaten. Dezen kregen ze aan een boom al staande. De ene vatte haar armen van achter om de boom, terwijl de andere met haar zijn wil heeft gedaan. Daarna deed de eerste op zijn beurt het Venusspel.
Maria Juliano was een soldatendochter. Haar vader was foerier van de compagnie van Don Ian de Valasco. Welnu, deze Maria maakte grote lamentatie over het verliezen van haar maagdom, zodat de twee gasten bewogen werden met medelijden en tegen elkander zegden, dat ze kwalijk hadden gedaan. Ze zegden zelfs tegen haar, dat ze naar believen één van hun beiden als man mocht kiezen om met haar te trouwen. Beiden gingen akkoord, wie ze ook zou nemen. Eindelijk koos ze één als haar man en dadelijk wensten ze mekaar hierover veel geluk toe. Ze gingen het huis in en aten en dronken vrolijk samen, voor zover dat de tijd bij zulke gelegenheid ze dat toeliet. Het kwaadste dat ze toen deed, was dat ze, toen ze met haar aangenomen man alleen was, al het zilverwerk uithaalde en wegnam, dat haar meester en juffrouw in het huis verborgen hadden, omdat zij wel wist waar het lag.
Als de Hollanders Tienen verlieten, nam zij haar koffertje met haar verborgen schat en trok er met haar man vandoor, samen met het Hollands leger. Later heeft men van haar niets meer gehoord. Dit voorbeeld mag dienen voor alle mensen, dat ze hun dienstboden niet te veel zouden toevertrouwen, waar ze hun schatten wegbergen. Wel is het waar, dat de kamenier ook alle reden had om zich te beklagen, omdat ze haar alleen in het huis hadden achtergelaten. Haar eer achtte ze meer, naast de benauwdheden en de overlast die haar was geschied, dan de juwelen van mijnheer en mevrouw, die thuisgekomen zich beroofd hadden gevonden zoals hierboven is beschreven.
Bibliografie: Dr. P. Kempeneers, Thuis in Thienen, 1999.