Al meer dan 691.000 bezoekers!

Nieuwste artikels

Tiense Sprokkel 314: Potjeslatijn

In deze sprokkel behandel ik geen slecht geschreven Latijn, maar fouten in vertalingen die geschiedschrijvers maken die geen Latijn kennen. Sommige amateurs hebben bovendien geen weet van het lezen van oud schrift. Het gevolg is, dat artikels gepubliceerd worden die de waarheid geweld aandoen. In een tijdschriftje lees ik dat een zekere Trudonopoli, getrouwd met Maria Batta, overleden was. Trudonopoli is geen familienaam, maar duidt aan dat de overledene afkomstig was van Sint-Truiden.

In 1711 noteerde de pastoor van Attenhoven een aantal inwoners van de Platea casei. Een amateur-geschiedschrijver maakte van de Casei de "Grote Landensestraat", hierbij denkend aan "Kassei", een oud woord voor een steenweg. Platea betekent straat en casei is de genitief van caseus "kaas". De pastoor van Attenhoven duidde hiermee de Keesstraat aan, thans nog in gebruik als Kaasstraat.

De familie Loyaerts was in het Landense zeer bekend. Meester Peter Loyaerts was een vruchtbaar man. Op 18 maart 1615 kreeg hij van zijn vrouw Barbara Loosen een tweeling. Barbara stierf op 15 juli 1617. Aan de zijkant van de kerk van Attenhoven is het kruis ingemetseld dat dit overlijden voor eeuwig bewaart. Peter hertrouwde, zoals in die tijd gebruikelijk was. Zijn nieuwe vrouw was Anna Inhaudts. Op 14 mei 1623 kreeg hij ook van deze vrouw een tweeling. Pastoor Jan Baex noteerde in zijn doopregister de gebeurtenis in het Latijn. Zijn handschrift is zeer slordig. Bovendien gebruikt hij veel afkortingen. Een onderzoeker moet dus wel wat studeren, vooraleer hij zulke teksten feilloos kan lezen. Over deze tweeling kreeg ik een artikel te lezen dat gelukkig nooit werd gepubliceerd. Het aantal fouten was te groot. Volgens de schrijver was Loyaerts een "vader van edele afstamming". Bovendien zijn alle namen verkeerd, zowel die van de vader, als van de twee kinderen. De adeldom werd door pastoor Baex in het doopregister niet toegekend aan de vader, maar aan de doopheffers van de tweeling. In het doopregister staat het volgende. De eerste tweeling was een jongen (masculus) en heette Joannes Carolus Loyaerts. Als peter (patrinus) kreeg hij: de edele en voorname heer Jan Van Boxhorn (in het Latijn: nobilis et generosus dominus Joannes a Boxhorn), kanunnik van Sint-Lambrecht (= in Luik), en als meter Maria Caels. Het tweede kind was een meisje (femella) en heette Anna Loyaerts. Zij kreeg als peter: de edele heer Librecht Van Hauthem (in het Latijn: nobilis dominus D. Libertus ab Hauthem), pastoor in Neerlanden en reguliere kanunnik van Sint-Geertruiden in Leuven, en als meter Catharina Vanden Putt. Van adel zijn, was een voorwaarde om opgenomen te worden in de abdij van Sint-Geertrui in Leuven. De tweeling was "uit een wettelijk bed geboren", zoals trouwens alle wettige kinderen. De pastoor noteerde bovendien dat de tweeling op dezelfde dag en hetzelfde uur geboren werden en gedoopt.

Voor de Latinisten onder mijn lezers geef ik de volledige tekst met opgeloste afkortingen. Nummer 199: 14a maij baptizati fuerunt gemini magistri Petri Loyaerts et Anne Inhaudts ex legittimo thoro nati, videlicet masculus vocatus nomine Joannes Carolus Loyaerts cuius patrini fuerint nobilis et generosus dominus Joannes a Boxhorn Sancti Lamberti canonicus, et Maria Caels. Nummer 200: femella vocata nomine Anna Loijaerts cuius susceptor fuit nobilis dominus D. Libertus ab Hauthem pastor in Nerlanden et canonicus regularis Sancte Gertrudis Louanij, Catharina Vanden Putt susceptrix. Eodem die et hora nati et baptizati.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in verkorte vorm in de Publipers op woensdag 16 mei 2012.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional