Al meer dan 691.000 bezoekers!

Sprokkels 51-100

Nieuwste artikels

De hemel te rijk (G 271)

Het huis nr. 19 in de Broekstraat heette voorheen het Hemelrijk. Hier woont nu advokaat Jaco Mertens. De ligging van dit huis is voor mij eerst een raadsel geweest. Ik heb het in mijn "Tiense Plaatsnamen" verkeerd gelokaliseerd op de plaats van de huizen met de nummers 6 tot 12. Dit komt door een fout in de rekeningen zelf. In de rekening van het gemeen jaargetijde over het jaar 1715 ligt het Hemelrijk "regenoten het huys van groenendael". Bij vergelijking met de voorgaande rekeningen blijkt "regenoten" een vergissing van de rentmeester to zijn voor "tegenover". Het Hemelrijk lag derhalve aan de rechterzijde, als je langs de Grote Markt de Broekstraat in gaat.

Rond 1570 was de eigenaar Hubrecht Minnen. Hij is in 1590 vervangen door Meester Lucas Cortjans, een barbier en chirurgijn, die ook eigenaar was de Griffoen. Cortjans betaalde voor het Hemelrijk een halster koren. Een halster is een oude maat voor droge waren, vooral voor koren. In dezelfde rekening vernemen we dat het huis door Christiaen Traetsens in 1581 werd afgebroken.

Later werd het Hemelrijk eigendom van Walterus Stas, die in 1635 is opgevolgd door Joannes Janssen. In dit jaar grensde het huis aan de Vloedgracht, Michael Naueaulx (= Naveau) en de straat aan twee zijden. De genoemde Vloedgracht heet in andere rekeningen de Fonteingracht. Deze gracht liep in de 16de eeuw in een rechte lijn van de huidige Dr. Geensstraat naar de Broekstraat. Ze vormde eeuwenlang de achterste perceelslijn van huizen als de Sint-Genoveva, de Moriaan, het Wit en Rood Paard, de Nobel, enz., op de Grote Markt. De Augustijnen deden de ingang aan de Dr. Geensstraat in de 17de eeuw to niet. In de Broekstraat liep de Fonteingracht tussen de panden G 269 en G 270. Deze beide nummers zijn thans ingenomen door de rechtervleugel van het Onze-Lieve-Vrouwcollege. Indien de gracht nog bestond, zou ze schuin over de speelplaats gelopen hebben.

In 1590 en later besloeg het Hemelrijk de panden G 270 en G 271. Later kreeg het perceel G 270 andere eigenaars. In 1796 was Trudon Baudewijns de eigenaar van G 270, gelegen aan de rechterkant van de verdwenen Fonteingracht, maar ook van de huizen G 268 en G 269 aan de linkerkant. In 1800 wordt voor Baudewijns als beroep "cabaretier" aangegeven. In 1834 vinden we als beroep "stoker". Hij wordt opgevolgd door zijn weduwe. Nog in 1860 staat in de lijst van Popp Baudewyns, veuve Trude, distillateur, et consorts. Deze 3 percelen behoren thans tot het patrimonium van het College.

Het voornaamste pand, het nummer G 271, onderging weinig veranderingen, en bleef de naam Hemelrijk dragen. Tussen 1635 en 1651 komt Adrianus van Helesem als bezitter voor, in een later cijnsboek ook geschreven Adrijaen van elissem, of Adrijaen den metser. Voor de jaren 1661 tot 1667 wordt het halster koren voldaan door Jacobus van Ranst. Jonker Jacobus of Jaecq van Ranst moet het pand langs zijn vrouw verworven hebben, vermits we in de rekening van 1672 lezen "uxoris nomine" (in naam van zijn vrouw). In 1684 wordt de cijns betaald door de weduwe van Wouter Stiers, die nog voorkomt in 1715.

In 1757 komt de eigenaar van het Hemelrijk voor als reengenoot van het pand dat rechts ervan gelegen is. De eigenaar is dan kanunnik Claes. Een tijd lang moet Lambrecht Eijletten de bezitter zijn geweest, want in 1796 geeft het gemeen jaargetijde aan: Den Eerweerdighe Heere Coordeken Claes te vorens Lambrecht Eijletten. In hetzelfde jaar staat in een belastinglijst notaris P. Claes als de bezitter aangegeven, die nog in 1800 als "rentier" voorkomt. Deze wordt in het begin van de 19de eeuw opgevolgd door Jan Baptist Marneff, daarna door zijn erfgenamen. Rond 1860 woonde in het Hemelrijk Joseph Albertus, met als beroep marchand de chevaux.

Aan de rechterzijde van het huis van Jaco Mertens is de toestand zeer veranderd. Rond 1830 lagen hier de percelen G 272 en 273. Dit laatste perceel drong met een hoek diep in het pand G 274. De twee bedoelde percelen hoorden in 1635 toe aan Michael Naveau, en later aan zijn erfgenamen. Op 10 juni 1757 verkregen Leonardus Godtgaffs en zijn vrouw Maria Theresia Ragoen bij erfenis huijs schure stal hoff cum annexis van sieur Franciscus Bauduinus Maes en van sieur Adrianus Maes. Het volgende jaar; de 13de juni 1758, verkreeg Leonardus Godtgaff hetzelfde huis, "bij acte van retrocessie", van de heer Patricius Loijaerts; schepen van Tienen. Een belastinglijst van 1796 geeft nog altijd Leonard Godgaf, een olieverkoper, als bezitter van beide percelen op. Maar in 1800 is hij opgevolgd door zijn weduwe. De volgende eigenaars zijn: rond 1826 notaris Janssen, en in 1834 tot na 1860 Jan Franciscus Kenis, een brouwer. In 1860 is de toestand evenwel al grondig gewijzigd. Een deel van G 274 is dan aan de voorgaande percelen toegevoegd. Daarna veranderde het pand nog eens door verbouwing. Dit leidde uiteindelijk tot de huidige toestand: een driehoekig, nu braakliggend perceel, een klein huis met nummer 11, en het restaurant De Mene (sedert 1988), van Brian Vos, met nummer 9.

De naam Hemelrijk is in de toponymie zeer bekend. Zo kwam in Kortrijk eveneens een Hemelrijk voor, met als tegenhangers het Vagevuur en de Hel. Als huisnaam is Hemelrijk ook bekend in het Antwerpen van de 14de-15de eeuw. Van Lennep vermeldt voor Nederland een Hemelrijk in Dordrecht, in Adorp in Groningen, en in Maastricht.

Oorspronkelijk was Hemelrijk een terreinwoord, volksetymologisch vervormd uit Hammerik of Hemmerik, een weide in een opvallende bocht, bv. aan een waterloop, zoals het Hemmelryck in Ballo en Rolde (1650). In Tienen kwam in 1441 het hemelrike voor, een weide in een verdwenen bocht van de Gete, achter het Barberendaalklooster. De naam is in 1441 al vervormd. De vest in deze buurt heette in 1467 hemelrijc. Ook liep de weg naast de oude kerk van Grimde naar een nog grotere bocht aan de Gete, die in 1633 het groot hemelrycke werd genoemd. Langs deze bocht liep een weg naar de Sint-Jansbrug. Het Hemelrijk in de Broekstraat staat eveneens in een bocht. Oorspronkelijk lag in deze bocht een weide, de hammerik en later hemmerik genoemd, en daarna vervormd tot Hemelrijk. In de 16de eeuw was het terreinwoord al een huisnaam geworden.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in Oost-Brabant, juni 1996.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional