Al meer dan 726.000 bezoekers!

Boek Oplinter

Oplinter is het dorp waar de bekende mystieke schrijfster Beatrijs van Tienen (of van Nazaret) leefde in het klooster van Maagdendaal.
Naast de tientallen, veelal vergeten plaatsnamen, behandelt Kempeneers de geschiedenis van Maagdendaal. Het hele grondplan werd aan de hand van historische bronnen gereconstrueerd.
Ook de exacte ligging van de verdwenen molens, zoals de Molen van Nederhem, is voortaan geen geheim meer.

U kan "Oplinter" bestellen via deze website.

De bossen van Oplinter

In de middeleeuwen werd het landbouwgebied door bosrooiingen uitgebreid. De typische naam voor een bosrooiing is rode. Het voorkomen van deze naam hangt samen met de grote ontginningsbeweging tussen de 10de en 14de eeuw. In Oplinter herinnert nog het Rot, in 1677 int Rot, aan deze rooiingen. Het Rot ligt tussen het Klein Hof ter Meren en de Genovevabeek.

Een oud woord voor hoogstammig bos is hout, uit Germaans hulta. Het komt nog voor in de naam Linterhout, gelegen in de noordwesthoek van Oplinter en voortlopend tot in Sint-Margriet-Houtem. De naam komt al voor in 1360: opt linterhout. Dit grote bos werd genoemd naar de gemeente Linter, maar kan oorspronkelijk ook genoemd zijn naar de beek of Lintara.

Lo, uit lauha "bosje op hoge zandgrond", komt waarschijnlijk voor in Hommel(ken): 1686 Jnt hommelken. Het is een hoogte, begrensd door de Wijnmeerstraat, de Hof ter Merenweg, de Beekstraat en de Sint-Hubertusstraat. In de volksmond luidt de hoogte thans de Hommelenberg (inl. Jacqueline Vandersteen). Het eerste lid is Germaans humulan- "hoppe", zoals in Hummelo in Gelderland.

Ten slotte is Stok, in 1321 sthoct, een oude bosnaam. Dit gehucht ligt in het noorden van Oplinter, maar behoort thans hoofdzakelijk tot Sint-Margriet-Houtem. Stokt, nu Stok, komt uit het Germaans stukkothu, een verzamelwoord bij stukka dat boomstronk betekent. Het gewone woord is echter bos, uit Germaans busku "struikgewas". Dit woord kreeg later de huidige betekenis "bos". Meestal zijn de bosnamen samengesteld. Het eerste lid is dan een boomnaam als in Berkenbos, in 1686 den berckenbosch. In gemeld jaar was het al geen bos meer, maar de naam voor 6 dagmalen land. Aan bomen herinnert ook de Wittenbos, in 1781 den witten bosch. In 1786 is het de naam van een perceel weide, toebehorend aan het Maagdendaalklooster. Dit voormalige bos lag in een bocht van de Grote Gete, met kadasternummer D 362. Het eerste lid wijst op de kleur van de witte of zilverpopulier, ook abeel genoemd (populus alba).

Ook eigenaars komen als bepalend element voor, zoals in Drossaten- of Drossetenbos: 1340 in ... drosseten bosch, 1400 by drossaeten boschs. Het Drossatenbos lag aan de oostzijde van de Oudenbos, dat in de 14de eeuw groter was dan nu. Drossate, drossete of drossaert betekent "rentmeester, hofbeambte". In 1686 was Jonker J. Schotti drossaert oft meijer vander stadt Thienen. Het eerste lid in Rodabos, in 1741 den Roda bosch, wijst op een eigenaar. Debrabandere laat in zijn "Woordenboek van de familienamen" Roda of Rodaer teruggaan op de Germaanse voornaam hr˘th-hardu "roemsterk". Nog bekend is het Merenbos tussen het Groot Hof ter Meren en de Zavel, in 1677 den meerbosch, en in-I686 den meren bosch geschreven.

Het Linterhout heette ook Oudenbos, in 1495 oudenbosch. In de 19de eeuw komt dan weer Nieuwenbos voor. Op dit ogenblik blijft er slechts een klein bosje over, dat in de volksmond het Klein Bos wordt genoemd (inl. Jacq. Vandersteen). Aan de Asbeek doet zich het omgekeerde voor. De nonnen van Maagdendaal legden een bos aan, dat Nieuwenbos werd genoemd: 1413 nuwenbosc. Van de 18de eeuw af wordt dit bos de Oudenbos genoemd. In tegenstelling tot het Klein Bos spreekt de volksmond gewoon van het Bos (fig. 9).
Figuur 9: Verspreiding van bossen en weilanden in 1860.
Figuur 9: Verspreiding van bossen en weilanden in 1860.

Een haag, uit Germaans hag˘ "bosje", bevond zich aan de Genovevabeek, op de grens van Neerlinter ten zuiden van de Neerlintersesteenweg. Het woord kreeg hier de betekenis van "grens". Op een scheiding wijst ook de Scheidhaag, in 1646 op die scheythaeghe. De Tiense Armentafel bezat "op de Scheidhaag" een stuk land, dat ik gelokaliseerd heb in het Kloosterveld, met kadasternummer D 339, gelegen ten zuiden van de Kleine baan. In de Kummen vond ik in de 17de eeuw de Kroeselhaag: 1686 Jn de croesel haeghe. Het woord kroesel is de nog altijd bekende dialektische naam voor de kruisbes of stekelbes, die vroeger als haag werd aangeplant.

Boomgaarden bevinden zich in de onmiddelijke nabijheid van de hoeven. In 1835 besloegen ze bijna 2% van de oppervlakte van Oplinter. Toch heb ik hiervoor geen aparte toponiemen gevonden. Een grote boomgaard bevond zich bij het Maagdendaalklooster. In 1860 had deze een oppervlakte van 5ha 68a en 80ca. Zoals elders in het Hageland waren er in Oplinter verscheidene wijngaarden. Zie hierover Fr. Claes, in: Oost-Brabant (1993. 130-143). In Oplinter lagen ze op de zuidelijke hellingen van de Steenberg en de Thuisberg. Zo heb ik minstens 4 plaatsen gelokaliseerd, waar zich wijngaarden bevonden. Op de Windmolenberg bezat de Tiense Armentafel twee stukken land, te vereenzelvigen met de latere kadasternummers D 27 en D 108. In 1563 liggen deze percelen by de wyngaerden. De bedoelde wijngaarden bevonden zich bijna boven aan de Windmolenberg. Zuidelijker, bij de Utsenaakseweg, bezat het kapittel van Sint-Germeins in 1684 gronden bij de wijngaerdeckens. Meer naar het oosten, bij het Kruisken, d.i. de omgeving van de huidige Lindebaan, bezat Wouters in 1677 gronden op den weijgaert opt cruijsveldeken. Ten noorden van de Neerlintersesteenweg lagen circa 1350 twee percelen van de Tiense Armentafel (nummers B 445 en B 442) op den wigart retro curiam vander meren. De noordzijde van het Hof ter Meren was bebost. Daarom werden de wijngaarden ten zuiden van het hof aangelegd. Elzen stonden bij de Genovevabeek, aan het uiteinde van de Begijnensteeg, in 1499 genoemd d'Elsen. Daarom heette de huidige Begijnensteeg vroeger de Elsstraat. Wilgen daarentegen groeiden aan de Mattebeek. Perceel A 213 van de Tiense Armentafel ligt tussen de Mattebeek en de Oplintersesteenweg. In 1646 ligt bedoeld perceel aen die wielighe. Hetzelfde land beyond zich in 1340 iuxta de houdegghe prope houtheem. Houdegge ontwikkelt zich tot Houweik: 1400 op die stad gheheiten houeyke, later vervormd tot Oudeweg. Houdegge bestaat uit houden, d.i. "houwen, hakken, snoeien" en ecke, egge "hoek, grens". De oorspronkelijke betekenis is derhalve "(uit)hoek waar gekapt mocht worden". Het tweede lid werd later volksetymologisch opgevat als de boomnaam "eik".


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in Brabantse Folkore nr. 288, december 1995, p. 351-392. Ook verschenen in Publipers, augustus 1994.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional