Al meer dan 691.000 bezoekers!

Boek Oplinter

Oplinter is het dorp waar de bekende mystieke schrijfster Beatrijs van Tienen (of van Nazaret) leefde in het klooster van Maagdendaal.
Naast de tientallen, veelal vergeten plaatsnamen, behandelt Kempeneers de geschiedenis van Maagdendaal. Het hele grondplan werd aan de hand van historische bronnen gereconstrueerd.
Ook de exacte ligging van de verdwenen molens, zoals de Molen van Nederhem, is voortaan geen geheim meer.

U kan "Oplinter" bestellen via deze website.

Kabbelende beekjes

De waterlopen in Oplinter behoren tot het stroomgebied van de Grote Gete. Op kleinere schaal echter onderscheiden we drie bekkens: het bekken van de Genovevabeek in het noorden, het bekken van de Grote Gete in het zuiden, met hiertussen het bekken van de Winterbeek. In 1884 tellen we 23 waterlopen (fig. 2).
Figuur 2: De waterlopen in Oplinter volgens de Atlas der Waterlopen in 1884.
Figuur 2: De waterlopen in Oplinter volgens de Atlas der Waterlopen in 1884.

Kleinere beken hebben in het algemeen een Nederlandse naam. Grote beken daarentegen kregen al een naam in een grijze oudheid. Daarom is de betekenis niet meer duidelijk. De Genovevabeek (nr. 3) ontspringt aan de hoeve Muizenbeemd in Sint-Margriet-Houtem, nabij de weg Tienen-Diest. Ze vloeit van west naar oost door Oplinter en Neerlinter, en mondt in Drieslinter in de Grote Vliet uit. De voortzetting van de Genovevabeek heet in Neerlinter de Kleine Vliet. De Genovevabeek werd herhaaldelijk vergraven. Zo zien we op de kaart van Popp (1860) nog een aftakking op de grens van de beide Linters. Vergravingen komen ook in onze tijd voor. Ten gevolge van de rechttrekking van de Neerlintersesteenweg lag de Genovevabeek ten zuiden van deze weg enkele meters hoger. Om dit niveauverschil te overbruggen werd een scheprad gebouwd, dat het water naar de hoger gelegen bedding optrekt. Water kan dus omhoog vloeien (fig. 3).

Figuur 3: Een scheprad laat de Genovevabeek omhoog vloeien.
Figuur 3: Een scheprad laat de Genovevabeek omhoog vloeien.

De oude naam voor deze beek was de Lintara. Deze naam ging op de nederzetting over. De waterloop heette in Merovingische tijd gewoon Baki, dat zich in het Nederlands ontwikkelde tot Beek. Ik ontmoet deze naam eerst in het Latijn, in het boek van de Tiense Armentafel van 1340: supra riuum, d.i. "op de beek". In 1478 lezen we in het Nederlands die beecke. Daarna wordt de beek verduidelijkt met een verwijzing naar de Sint-Genovevabron: 1630 sinter viuen beecke, 1669 De beke van sinte Genoueua, 1697 sint vijve beke, 1843 Genovevabeek.

De Asbeek (nr. 13) ontspringt aan de grens van Oplinter en Sint-Margriet-Houtem, aan de voet van de Keiberg, en mondt links in de Genovevabeek uit. De oudste vorm luidt in 1495 asbeecke. Deze naam komt ook voor in Olmen en Rummen. In Koblenz luidt de Duitse vorm Asbach (1183). Gysseling verklaart deze beeknaam in zijn Toponymisch Woordenboek uit aski "es" + baki "beek". In Oplinter heette de Asbeek voorheen de Zijp, een naam die al vroeg is overgegaan op de omliggende weiden, zoals in 1430 in de sijpt. De waternaam Zijp behoort bij Middelnederlands sipen, Nederlands sijpelen, uit Indo-europees seip-/seib- "uitgieten, druppelen".

De Kosbeek (nr. 12) ontspringt aan de Wijnmeerstraat en mondt ten zuiden van de Neerlintersesteenweg in de Genovevabeek uit. De oudste vorm luidt in 1454 cortbeke. De betekenis is dus "korte beek". De naam is identiek met de Kortebeek, waarnaar Korbeek-Lo en Korbeek-Dijle zijn genoemd. Nadien heeft de volksmond de beeknaam vervormd. Zo lees ik al in 1686 op die cortsbeecke, die kosbecke, opden corsbeeck. De beeknaam was al in 1454 overgegaan op het omliggende land. Na de overgang ontstaat de differentiatie Grote en Kleine Korsbeek. De Kleine Kosbeek is het veld tussen de huidige Kosbeekweg en de Neerlintersesteenweg. De Grote Kosbeek is de naam voor de akkers rond de Kleine Kosbeek, zowel ten noorden als ten zuiden van de Neerlintersesteenweg. De beek zelf heet na de overgang tot landnaam dikwijls Vloedgracht.

Vloedgrachten liggen altijd in een "delle" en werden van de 13de eeuw of kunstmatig verdiept om het water van hoger gelegen gebieden bij stortvloeden op te vangen. De grootste koncentratie van Vloed-toponiemen bevindt zich ten zuiden van de lijn Dijle-Demer of DD-lijn. Vloed, meestal in verbinding met gracht, is een afleiding van Indo-europees pleu- "vloeien", ablautend Germaans flo- en uitgebreid met een d-suffiks. In de regel staat in een Vloedgracht weinig water, dit in tegenstelling tot de waterlopen die Beek werden genoemd. In de Atlas van 1884 heten de Vloedgrachten gewoon Coulant d'eau, later vertaald door Waterloop. Door verfransing en hervertaling ging de benaming Vloedgracht verloren.

De Braambeek (nr. 4), bijrivier van de Genovevabeek, ontspringt in het gehucht Stok en vormt de grens tussen Op- en Neerlinter. Bij Ferraris circa 1777 vond de Braambeek nog haar oorsprong in de Bornmeer, vroeger een waterplas in het Merenbos. Ik ontmoet de naam Braambeek het eerst in 1590: op de braembeke. Het eerste lid is braam, de bekende bessestruik.

Waterlopen 8, 9, 11, 14 en 15, in de Atlas Coulant d'eau genoemd, waren alle Vloedgrachten. Zo grenst in 1686 een perceel op het Kosters veld aan die vloetgracht. Ook Leigracht komt voor: 1686 Jnt oppenemssche velt regenoten (= grenzend aan) die leijgracht. Een Leigracht leidt het overtollige water in lager gelegen gebieden af. Waar het terrein heuvelachtig is, komt Vloedgracht voor aan de bovenloop en Leigracht aan het vlakke deel van de benedenloop.

Een waterloop met een aparte benaming is de Biesgracht, die ik ontmoet in 1677. Bies komt zoals bekend voor in vochtige gebieden. Sedert 1884 is dit waterloop nummer 10 of de Mattebeek. Deze ontspringt op het punt waar percelen A 205, 210 en 211 samenkomen. Ze vloeit grotendeels evenwijdig met de Oplintersesteenweg en mondt links in de Genovevabeek uit. Het eerste lid is oorspronkelijk een perceelsnaam. Oude vormen zijn: 1530 die mertse, 1630 die martze, 1646 de matse, 1647 de maetse. Dikwijls heet het gebied naast de Mattebeek de Mattens of de Twee Mattens: 1686 tusschen die twee mattens, tusschen die twee matsens, die twee matsche. Deze naam verwijst naar 2 bijlvormige stukken land, namelijk percelen A 211 en A 219. Een oud woord voor een bijl of mats-hamer is martse, ook matse; uit ouder matsuwe. Hiermee kan ook de aanduiding "Twee Mattens" worden verklaard (fig. 4).
Figuur 4: De Mattebeek genoemd naar twee bijlvormige percelen.
Figuur 4: De Mattebeek genoemd naar twee bijlvormige percelen.

De winterbeek (nr. 23) ontspringt aan de Ganzendriesstraat, vloeit doorheen het Pijlijzer en de Laterbroeken, en wordt in Neerlinter de Grote Vliet. Als oudste vorm vond ik in 1447 winterbeke. De betekenis is duidelijk: ze voert in de winter overtollig water af. Het hydroniem komt vooral in Limburg voor.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in Brabantse Folkore nr. 288, december 1995, p. 351-392. Ook verschenen in Publipers, augustus 1994.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional