Al meer dan 722.000 bezoekers!

Nieuwste artikels

Oost-Brabantse Sprokkel 33: Groeten uit Goetsenhoven

Over Goetsenhoven bestaan weinig betrouwbare gedrukte bronnen. Daarom publiceer ik in Oost-Brabant een aantal artikels die eerder in het advertentieblad Publipers verschenen als Tiense Sprokkels. Op dit ogenblik bezit ik trouwens voldoende attestaties, die ik volgende maanden hoop uit te werken tot een werk over de "Goetsenhovense Plaatsnamen".

Minnespel in Ast

In de rekeningboeken staan niet altijd rekeningen vermeld. Zo vond ik in het Kerkelijk Archief van Goetsenhoven, genummerd 28.054, een los briefje. Het werd geschreven door een onbekende persoon. Het papier is 20 bij 17 cm groot. Gevouwen blijft echter slechts een kattebelletje over van 10 bij 7 cm. Op de buitenkant staat als opschrift: Desen brief sal men bestellen aen joannis fransiscus ausseloos woonende tot ast onder goitsenhoven.

De genaamde J.F. Ausseloos of Ausloos was een landbouwer die rond 1800 woonde in de omgeving van het huidige kasteel van Ast. De brief aan hem gericht is zeer eigenaardig. Als titel lees ik: "Om te voldoen aen den drift van mijn hert, zoo en kan ik niet naer laeten". Het is een cynische titel. De schrijver wou immers met landbouwer Ausloos zijn voeten spelen door middel van een gedicht. Daarom vermeldt de laffe afzender zijn naam niet.

Het eigenaardige is, dat het gedicht enige letterkundige kwaliteiten vertoont. Voor de leesbaarheid vervang ik y door ij. Zo luidt strofe 1: Wat moet eenen minnaer Lijden/ die met Liefde is belaen (= beladen)/, en in bedroefde tijden/ geen troost en kan ontfaen (= ontvangen)/ van die hij wilt beminnen/ en bijstaen in allen noodt/ en geene Liefde en kan winnen/ Dit lijden is te groodt.

De tekst is duidelijk voor de lezer die overweg kan met de dubbele ontkenning. In regel 4 bvb. (geen troost en kan ontfaen) is "geen" versterkt met "en". We zouden nu zeggen: geen troost kan ontvangen.

Strofe 2 is even poëtisch als 1. De slechte bedoelingen van de schrijver komen nog niet tot uiting. Lees even mee: Doch wil ik gaen risqueren/ door een oprechte min/ die mij hier doet proberen/ te gaen bij mijn vrindin/ om myn smert haer te claegen/ en te winnen haer gemoed/ dat ik haer sal behaegen/ en zij mijnen wensch voldoet.

Prachtig is dat. In de derde strofe komt dan plots de naam van de geliefde naar voren. Theresia mijn vrindinne/ aenziet uw minnaer aen/ met regte en vaste zinnen/ kompt hij bij u gegaen/ nimand kan mij behaegen/ oft voldoen mijnen lust/ u wil ik liefde dragen/ stelt dog mijn hert gerust.

Vanaf strofe 4 wordt het masker afgetrokken. Het is geen liefdesgedicht meer, maar een regelrechte aanval op Ausloos, want plots staat er: Weg gij valschen Leander/ oorsack van mijn pijn/ schiet uw schigten op een ander/ daer meer plasieren (= pleziertjes) sijn/ mijn blom sult gij niet plukke/ en laeten mij in schant/ en op het laesten te verdrukke/ die gy laet voor myn pand.

De rest is niet af. Jaloersheid en haat overweldigen de schrijver van het gedicht. Zijn inspiratie is op. Zo blijven er slechts 2 regels over: den hemel en getuijgen/ in mijn onnooselhijd.

Jammer dat het zo moet eindigen.

Als stenen spreken I

Goetsenhoven bezit een aantal merkwaardige boerderijen. Enkele zijn voorzien van een steen met inscripties. Om deze op te lossen is wat detective-werk nodig. Ik wil de lezers mijn bevindingen niet onthouden.

Op de hoek van Konijnenberg- en Gozewijnstraat staat een mooi gerestaureerd pachthof. In de gevels vinden we twee stenen. Bovenaan staat de afkorting IHS met een ingewerkt kruis. Dit is de verkorting (in het Grieks) van de naam IESUS. De naam Jezus diende om de inwoners van het pachthof te beschermen. Verder vertoont de eerste steen de afkorting I.F.C., en hieronder M.C.H., en ten slotte ANNO 1788. De eerste letters verwijzen naar de bouwer van het pachthof, de tweede reeks letters naar zijn echtgenote. Wie waren zij? Na enig speurwerk vond ik dat de letters I.F.C. verwijzen naar Ioannes Franciscus Courtois. Hij was de tweede met die naam. Hij was immers de zoon van Ioannes Franciscus Courtois (de eerste) en van Anna Maria Vranken. I.F. Courtois de tweede huwde met Maria Catharina Hussin, op de steen afgekort als M.C.H.

De bouwer van de eerste vleugel van het pachthof werd in 1759 geboren en overleed op 9 juli 1834, in de gezegende leeftijd van 75 jaar. De zoon van Courtois en Hussin kreeg nog eens dezelfde naam en is derhalve Ioannes Franciscus Courtois, de derde. Zijn naam staat afgekort op een tweede steen. Onder het kruis met de inscriptie IHS staan inderdaad de letters I.F.C. Volgens de steen was hij de echtgenoot van M.E.T. en bouwde hij een tweede vleugel in 1847. Wie was mevrouw M.E.T.?

Joannes Franciscus Courtois III werd geboren tijdens de Franse overheersing, op 3 frimaire van het jaar 5, dit is 23 november 1796. Hij overleed op 4 juni 1867 in de leeftijd van 70 jaar. IFC de derde was getrouwd met Maria Elisabeth Tomsin, afgekort M.E.T. Zij was de dochter van Mathieu Tomsin en Anne Marguerite Pint. Het echtpaar had een zoon: Charles Louis Courtois, geboren op 8 augustus 1835. Verder bleef het paar niet gespaard van ongelukken. De droge registers onthullen grote menselijke drama's. We leren eruit dat het dochtertje Rosalie op 4-jarige leeftijd overleed. In 1845 werd een tweeling doodgeboren en in 1847 stierf hun zoon Theophile, één jaar oud.

Op de Konijnenberg nr. 63 staat een mooie hoeve te koop. Boven de inrijpoort vermeldt een steen het bouwjaar 1752. Hierboven bevindt zich een nis met de figuur van een krijger met rode mantel. Eertijds was het huis bekend als het pachthof van Finou(i)lst. Josephus Finouilst, 85 jaar oud, was een geboren Hoegaardier, en was de zoon van Nicolaus Finouilst en Margarita Verberen. Josephus was weduwnaar van Magdalena Vanhoebrouck en overleed op 24 februari 1832.

Nog niet zo lang geleden, liep er nog een voetpad van de huidige Sint-Rochusstraat naar de boerderij van Jozef Finoulst, bekend als het Finoulstpedeken.

Als stenen spreken II

Germeaux opschrift In juli werkte eigenaar Stephan Lebrun-Vossen aan de restauratie van zijn hoeve op de hoek van de Dreefstraat in Goetsenhoven. In de gevel zit een steen die me erg interesseerde. De letters zijn gedeeltelijk afgesleten. De eigenaar was echter zo vriendelijk om mij zijn lange ladder te lenen. Van dichtbij was de steen te ontcijferen. Onder de gewone afkorting IHS (= Jezus) met ingewerkt kruis las ik: I.M.G. - E.M. ANNO 1789.

De bouwer van het huis, Dreefstraat 4, was een rademaker, in het archief ook wagenmaker genoemd, namelijk Ioannes Martinus Germeau(x). Hij overleed op 3 augustus 1829 op 70-jarige leeftijd. Hij was de weduwnaar van (Maria) Elisabeth Maes, op de steen afgekort E.M.

Wagenmaker Germeau was de zoon van Henricus Germeau en Anna Maria Vandenschilde. De echtgenote van Joannes Martinus, E.M. op de steen, overleed op 18 maart 1825. Ze was 65 jaar oud. Ze was de dochter van Franciscus Maes en van Anna Catharina Janssens.

De opvolgers van Martinus Germeau kenden in hun leven niet veel geluk. Joannes Franciscus Germaux bleef zijn leven lang vrijgezel en overleed in het huis van de rademaker in 1870. Hij was 80 geworden. Zijn broer Winand trouwde twee keer. Hij zag het levenslicht tijdens de Franse tijd, op 11 pluviose van het jaar 7, of omgerekend op 30 januari 1799. Hij werd 90 jaar en stierf in 1889. Winand was twee keer weduwnaar.

Gertrude Claes was de dochter van Anna Gertrudis Claes. De vader was onbekend. De moeder was wat men toen noemde een bedrogen jonge dochter. Winand nam het meisje zonder vader tot zijn wettige echtgenote. Op 16 juni 1829 baarde ze een dochter: Angelina Germaux. Geen jaar later, op zaterdag 13 maart 1830, overleed de jonge vrouw op 22-jarige leeftijd. Winand bleef achter met Angelina die al vroeg de stiel van landbouwster moest overnemen. Het jonge kind stierf echter in 1846, amper 17 jaar oud. Intussen was Winand wel hertrouwd met Isabella Vandenschilde. De vrouw overleed in het kinderbed op 31 mei 1839. Het zoontje dat ze baarde, Henri Germaux, overleed 7 weken later. Zo stierf het geslacht Germaux in Goetsenhoven uit.

Ook de zuster van Winand Germaux, Marie Elisabeth Germaux, stierf in het kinderbed op 13 september 1848, toen ze beviel van Theophile Vanhoebroeck. Het zoontje leefde slechts 18 uren.

Om te eindigen los ik nog een inscriptie uit Goetsenhoven op. In de gevel van boerderij "Zonnehoeve" in de Sint-Laurentiusstraat 46 steekt eveneens een steen. Het opschrift luidt: LVGB/MTM/1844. Ziehier de oplossing. LVGB beantwoordt aan de afkorting Lambertus Vangramberen, geboren op 24 brumaire jaar 9 (15 nov. 1800). Hij was de echtgenoot van MTM, de afkorting van Maria Theresia Maes. Lambert overleed op de hoeve op 74-jarige leeftijd op 19 juni 1875. Zijn vrouw Marie Therèse Maes volgde hem in de eeuwigheid in 1877. Het geslacht Vangramberen werd echter voortgezet door de zonen Jean Baptiste en Louis.

Wie is wie in Nazareth?

Met de hulp van Willy Basteyns vond ik in de pastorie van Goetsenhoven 2 oude foto's. Foto 1 is vertikaal genomen en meet 13 bij 18 cm. Oorspronkelijk zat hij geklemd in een fotokader met glas. Dit glas bedekte slechts een oppervlakte van 9,5 bij 12,5 cm. De randen van het glas hebben de foto beschadigd. Op de prent staan 27 arbeiders.

Foto 2 is horizontaal genomen en heeft dezelfde afmetingen als 1. Op de prent staan dezelfde 27 arbeiders, maar in een andere volgorde. Namelijk: 20 manspersonen staande, 1 in het midden half gehurkt en onderaan nog 6 zittend of knielend op de grond. In totaal 27 arbeiders. Deze foto zat eveneens in een kader met glas. Het glas bedekte echter slechts een oppervlakte van 10 bij 7,5 cm, zodat een aantal personen onzichtbaar werden.

Sommige werklieden hadden hun gereed meegebracht. Zo herkennen we duidelijk een zaag, een winkelhaak en een hark of gritsel. Twee mannen hebben wel de plezante uitgehangen: ze nijpen hun buurman in het oor. De man met de gritsel heeft een fotogenieke kop en de tweede onderaan rechts lijkt wel op de komiek Buster Keaton. Op de achtergrond zien we duidelijk de poort van het kasteel, nu de grote ingangspoort van Huize Nazareth. Mijn zoon dr. Edelhart Y Kempeneers heeft de beschadigde foto met de computer bijgewerkt.

Hierbij doe ik een oproep tot de lezers van mijn sprokkel om twee vragen te beantwoorden. 1. In welk jaar kan de foto zijn genomen? 2. Herkent u nog één of meer personen?

Graag uw antwoord sturen naar Dr. Paul Kempeneers, Leuvensestraat 43-45, 3300 Tienen (016/81.37.28).

Inviolata voor een dagmaal

In de Konijnenbergstraat in Goetsenhoven ligt een nog onbebouwd stukje land met een geschiedenis die teruggaat tot 1506. Het bedoelde stuk land heeft nu het kadasternummer C 238b en ligt links van villa nr. 46 in de Konijnenbergstraat.

In 1506 was ridder Jacob Bauwen de heer van Goetsenhoven. In een akte van 21 mei 1506 heet hij voluit in het Latijn: Nobilis ac generosus vir Dominus Jacobus Bauwen miles, dominus temporalis de Goetsenhouen (u is te lezen als v). (Kerkelijk archief nr. 28.039, folio 55). Om zijn zieleheil veilig te stellen schonk de heer aan de kerk een dagmaal land gelegen op de Tommelingen. Een dagmaal is een stuk land dat men in 1 dag kon bewerken, namelijk 1/4 van een oude bunder. Een dagmaal was 32,61 are groot. Vanaf 1820 werd een dagmaal gelijk gesteld met 1/4 van een nieuwe bunder of een hectare, met behoud van de oude benaming (zie P. Kempeneers, Thuis in Thienen, blz. 1018).

Aan de schenking was wel een voorwaarde verbonden. De pastoor moest in de advent alle zondagen voor de hoogmis den antiphoon Inviolata zingen. Zoals blijkt uit de geciteerde akte van 1506 diende het lied ook voor zijn vrouw Maria van Horne.

We kunnen hierbij 2 vragen stellen: 1. Wat betekent Inviolata? 2. Waar lag het dagmaal? De eerste vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Hiervoor ging ik te rade bij de koorleiders Rik Klewais en Rik Caenberghs. Deze laatste was eertijds koorleider bij de Dominikanen en kende de antifoon nog zeer goed. Zij bezorgden mij tekst en muziek van deze antifoon. In het "Zangboekje" bvb. van 1932 staat de tekst op blz. 224 met een Nederlandse vertaling. De eerste regel luidt als volgt: Inviolata, integra et casta es, Maria. Vertaald: Ongeschonden, onbevlekt en rein zijt gij, Maria. In een antifoon treden altijd twee partijen op. Voorbeeld: de ene helft van het koor zingt vers 1. De tweede helft vult aan met vers 2, enz. De tweede versregel van Inviolata luidt: Quae es effecta fulgida coeli porta, dit is: Gij zijt de schitterende poort des hemels geworden.

De tweede vraag is moeilijker te beantwoorden. In 1506 lag het dagmaal van Jacob Bauwen op de Tommelingen, dit is in de nabijheid van de Wijngaardstraat. Later kreeg het dagmaal, waarvoor het Inviolata moest worden gezongen, de benaming Inviolata-land, zoals in 1722. Toen lag het bewuste perceel tussen de Klei en de Wijngaardstraat op die hooghde (Schepengriffies 5962, blz. 161). In 1750 was het dagmael genaemt het inviolata veld gelegen aan de straat leidende van Goetsenhoven naar Meer.

Mijn Historische Atlas van Goetsenhoven bracht mij dichter bij de juiste ligging. Circa 1820 immers lag het Inviolataland aan de Oude weg en grensde het aan Thiodoor Claes, Paulus Hanset en de Heer van Goetsenhoven. Deze namen staan in mijn Atlas. Zekerheid kreeg ik echter pas met de aanvulling nu aen den armen in 1822. Het Inviolataland hoorde na 1822 niet meer toe aan de Kerk, maar aan de Armentafel van Goetsenhoven. Aldus kon ik het perceel met zekerheid vereenzelvigen met het nummer 238 van sectie C langs de Konijnbergstraat.

Als de eigenaar binnenkort op het dagmaal een villa gaat bouwen, heeft hij meteen al een naam: Inviolata. In 2006 is deze benaming 500 jaar oud.

Een dronken pachter

Wat doen we met een dronken pachter? De schepengriffies met betrekking tot Goetsenhoven (nr. 4061) geven een antwoord.

Op 19 februari 1780 verschenen voor de openbare notaris J.J. De Boeck in Tienen twee personen met een aanvraag. Het huis van Joannes Josephus De Boeck komt overeen met dat van notaris Janssen, Spiegelstraat 14 (zie P. Kempeneers, Thuis in Thienen, blz. 644). De aanvragers waren: de eerzame Christiaen Delattinne uit Goetsenhoven, 47 jaar oud, en Godefridus Daignau uit Tienen, 34 jaar oud. Zij spraken in de naam van Gertrudis Desams (= Dechamps), huisvrouw van pachter Gerardus Maes uit Goetsenhoven.

Pachteres Gertrudis had het niet onder de markt. Het echtpaar Maes-Deschamps was 24 jaar getrouwd. Ze hadden samen een pachthof in Ast met appendentie en dependentie, en bovendien een erf van 2 bunders groot. Helaas voor Gertrudis was pachter Gerard beginnen drinken. De dronkenschap van Gerard duurde zo lang, dat alle bezittingen één voor één werden verkocht.

Zo bezat de beklagenswaardige vrouw uyt haere patrimoniele successie, ten tijde van haar huwelijk, een bunder land, en bovendien 2 bunders en een zille land in verscheidene percelen gelegen onder Oplinter. Tevens beschikte de vrouw over een som geld, meubelen en bestiaelen. Het echtpaar uit Ast had alles om gelukkig te zijn. Edoch, Gerard kon van de drank niet afblijven. Hij begon, (zoals het document in de schepengriffies 4061 zegt) te swieren en tieren, en dit bij naghten ende onteyden selfs gansche weken in de herrebergen, in en ontrent Goetsenhoven.

Dit quaet gedragh leidde eerst tot de verkoop van het pachthof. Gerard verloor niet alleen zijn eigen bezittingen, maar verkocht ook de goederen, voortgekomen uit de inbreng van Gertrudis, en dit met drijgementen ende slaegen. Vervolgens moest de dronkaard de meubelen ende bestiaelen verkopen, allemaal om te verkwisten drincken ende schincken. Nog was de miserie van Gertrudis niet ten einde! Zatte Gerard zag er niet tegen op, om zelfs de cleeragien (kleren) van zijn vrouw te verkopen.

De eertijds welgestelde vrouw was door de dronkenschap van de pachter volledig geruineerd. Ze sloot zich op in een kamer en zou van armoede zeker gestorven zijn, hadden goede lieden haar niet geholpen. Bij decreet van de rechter kwam Gerard 6 maanden terecht bij de paters Cellebroeders binnen Tienen. Daaruit gerelaxeert synde, begon Gerard opnieuw te drinken. Om aan geld te geraken ontvreemdde de alcoholist een jupon bij zijn zoon en verkocht deze vrouwenonderrok aan een oudekleerverkoper. Nu was de maat vol. Gerard werd opgesloten in het Brabants beterhuys in Vilvoorde.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in Oost-Brabant XXXVIII (2001), nr. 4, blz. 141-150.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional