Al meer dan 726.000 bezoekers!

Nieuwsbrieven

Publicaties

Nieuwsbrief november 2016

Tiense Sprokkel 378: Toveressen 1/2

In 1627 lieten in Wommersom twee vrouwen het leven op de brandstapel. Ik vond de originele tekst over de "toveressen" Catlyn Fiermoing en Cathlyn Conincx terug in het Aartsbisschoppelijk Archief in Mechelen. De confessie is bewaard in de Acta Vicariatus (V, 3), "Tooverye. Processen van gevangen tovenaars en tovenaressen, in het bijzonder in Wommersom en omstreken" (p. 91-101).

Marteling
 
Catlyn Fiermoing, echtgenote van Claes Jans, werd in Wommersom op 8 juni 1627 verbrand. Ik heb de teksten uit de "Tooverye" omgezet in 2 zijsprokkels. De bekentenissen gebeurden door pijniging of "torture". Hieronder geef ik enkele voorbeelden in huidig Nederlands.

Catlyn Fiermoing bekende dat zij aan de toverij was geraakt, nadat zij groot krakeel met haar man had gehad. Zij sprak met een gramme moed en riep de Duivel aan achter de haag. De Duivel kwam bij haar, gekleed in het zwart, en met een zwarte baard, vragende waarom zij gevangene zo mistroostig was. Catlyn vertelde hem de oorzaak, waarop de Duivel haar antwoordde: Zijt tevreden, ik zal u veel geld geven.

Hij kretste aan het voorhoofd van Catlyn. Hij deed dit om de christelijke beloften van doop en vormsel te verwijderen. Hij gaf haar een merkelijke som geld. Terstond boeleerde hij met haar (= had geslachtsgemeenschap). De Duivel ging weg en het geld veranderde in eikenbladeren!

De meier en de schepenen van Wommersom vroegen Catlyn naar het verschil dat zij gevoelde in het boeleren met de boze vijand en het vleselijk converseren met haar man. Het lichaam van de vijand en zijn zaad waren geheel koud. Het vleselijk converseren van de man was geneuglijker, doordat het lichaam en zaad heel warm waren. Waarom deed zij het dan met de duivel?

Zijsprokkel 129: Een toveres in Wommersom (1627) (1/2)

Catlyn Fiermoing, echtgenote van Claes Jans, werd in Wommersom als tooveresse op 8 juni 1627 verbrand. In 1612 waren er al heksen terechtgesteld. Catlyn legde onder dwang (de zogenaamde torture) bekentenissen af en noemde drie namen van andere toveressen. Hierdoor zou ook Catlyn Conincx in 1627 de vuurdood sterven. Het verhaal kunnen we lezen in de uitgave van E. Raes, Hekserij en exorcisme, in 1993 uitgegeven door de Stichting Mens en Kultuur in Gent.

De vroeg 19de-eeuwse kopie van de "confessie" van beide Catlyns is bewaard in het Aartsbisschoppelijk Archief in Mechelen (Varkensstraat) in de Acta Vicariatus, V, 3. Tooverye. Processen van gevangen tovenaars en tovenaressen, in het bijzonder in Wommersom en omstreken. Het proces van Catlyn Fiermoing en Catlyn Conincx in 1627 staat beschreven op de bladzijden 91-101. Hierna volgen nog 40 bladzijden over de toveres Anna van Ranst die overleed in de gevangenis van Mechelen. Zie ook de inventaris van C. Van de Wiel. Acta vicariatus in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen, 1380-1900 (Brussel-Rome, 1996), onder het trefwoord Wommersom[1]. Over de heksenprocessen vinden we ook gegevens in Varia 785. Toverij, met afschriften door Delafaille van de correspondentie met de schout van Wommersom, bewaard in het Stadsarchief van Mechelen[2].

Bijna 400 jaar na de verbranding van beide vrouwen begrijpen wij niet meer dat zulke onzin over duivels geloofd werd, vooral omdat de bekentenissen gebeurden door pijniging. In onderstaande tekst geef ik de originele versie weer uit de "Tooverye" (Acta Vicariatus, V, 3).

Marteling
 

Catlyn Fiermoing

Confessie ende Beleydinghe gedaen by Catlyn Fiermoing huysvrouwe Claes Jans, naer de Torture[3], want op de Torture heeft sy geens willen bekennen, den eersten Juny anno 1627.

Coram[4] Heer en Meester Jan van Winde Meyer, Anseloo[5], Medaerts, Van den Roy, Vuytten Broeck, Van Essche, ende Van den Hove Schepenen.

Jn den eersten bekent sy gevangene te syn een tooveresse, ende geweest te hebben drye ofte viere Jaeren, als de leste voorgaende alhier tot Wommerssom zyn gebrandt geweest, welcke leste brandinge wel is geleden omtrent de xv Jaeren[6], in der vueghen dat sy gevangene heeft Tooveresse geweest ontrent de achtien of negenthien continale Jaeren tot nu toe en noch is.

Ten tweeden verclaert aen de Toovereye geraeckt te syn, naer dyen sy hadde gehadt groot Crackeel teghen haeren man, als wanneer sy met eenen grammen moed spreckende en roepende den Duyvel aen, gonck achter den hage vuyt in den hoff achter den oven[7], alwaer den Duyvel by haer quamp synde gekleet in 't swert, en hebbende eenen swerten baert, vraegende waerom sy gevangene soo mistroostich was, ende vertrock die voorschreven gevangene hem doorsaeck[8], waerop den Duyvel haer gevangene antwoorde, syt te vreden, wilt gy my gelooven, ick sal u soo veel gheldts geven, soo dat sy t saemen accordeerden, ende dede de voorschreven gevangene den Duyvel gelofte, mits het welck kretsten[9] den voorschreven Duyvel haer gevangene aen het voorhooft, ende gaff haer eene merckelyke somme gelts waer naer hy terstont met haer boeleerde[10], ende daer naer van haer gevangene gescheyden synde es het voorschreven gelt verandert in eycke blaederen.

Ten derden verclaert de voorschreve gevangene dat binnen thien off elff daeghen dat naer dat den Duyvel van haer was gescheyden, by haer quamp wederom boeleren, welcken boel[11] by naeme hiet Tereyhay synde taemelyck Jonck hebbende eenen swerten baert.

Ten vierden van schepenen gevraecht wat differentie ende onderscheet sy gevoelde in t voorschreven boeleren met den boosen vyant ende het vleesselyck converseren met haeren man verclaert de voorschreve gevangene dese voor redenen dattet lichaem van den vyant ende synen saet geheel caut es, ende daer en boven dat het vleesselyck converseren van den man meer genuchelycker es als het bouleren met den boosen vyant door dyen d'lichaem ende saet heel warm es.

Ten vyfden bekent de voorschreven gevangene te diverssche reysen, te weten somwylen te drye weken, somwylen ten maendt, somwylen te vyf weken eens ten danse geweest te hebben, en aleer sy moest ten danse gaen, wordden haer t zelve eenen dach van te voeren van den Duyvel veradverteert.

Ten sesden bekent de voorsschreven gevangene dat sy dickmaels ten dansen heeft geweest opt velt aen t doorne Boomken op den Broeck in de Hegge[12], oock op de Cruysstraet naer Oplinter[13] te gaen, als wanneer sy per compiegnie treckende sterck waeren acht oft neghen en haeren speelieden speelden op trommelkens en fluytkens, ende als sy tooveressen gedaen hadden met dansen, dan gonck eenen duyvel daer sitten in eenen setel, synde fraeyder gecleet als d'andere Duyvelen, hebbende een groen pluyme op den hooft, als wanneer voort[14] wech gaen ieder tooveresse den voorschreven Duyvel moeste gaen kusschen ende daer naer gonck een ieder naer syn huys.

Ten sesden (sevensten) bekent de voorschreve gevangene dat sy Neel Kasten, geweest hebbende verckens herder tot Bosschelker[15], heeft betoovert gehadt voor den oost[16] met een Roytken[17] synde besmert[18] met swert saet, daer mede sy den voorschreven Neel hadde over syn schouder geslaegen, welck roytken alsoo besmert synde den Duyvel haer hadde gelanckt[19], ende heeft sy gevangene den Duyvel den voorschreven Neel doen ontooveren in den Eeckeltyt[20] vuyt redenen ende van vreese dat het volck soo tierden en seghden dat sy gevangene souden gevangen worde.

Ten sevensten (achsten) bekent haer eygen peerden ende een koey te hebben doen sterven, met saet dwelck den duyvel haer gelanckt hadde, t welck saet sy stroyde in haeren mesthof, welck saet was swert, seggende alsdan te hebben doen sterven twee van haere peerden, een veulen een koy een rent[21], seggende voorders dat den Duyvel haer van te voren segde dat den saet was om haer eygen beesten te doen sterven, ende haer voorschreven gevangene geloofde egheen gebreck te laeten lyden.

Ten viijsten (ixsten) verclaert waerachtich te syn dat zy Bartholoméus van Essche heeft doen sterven op 't broeck[22] gaende van Wommersom twee koeyen die welcke zy heeft geslaegen met eenen stock, welcken stock den Duyvel haer Catlyn hadde gelanckt, ende in t langhen van den stock seyde den Duyvel gaet henen, slaet de koeyen in mynen naem.

Item ten ixste (xste) verclaert waerachtich te syn dat sy Adriaen van Honschoven, ontrent die thien jaeren geleeden heeft doen sterven eene koeye, welcke koye sy heeft doen sterven met slaen van sekeren stock die den Duyvel haer gelanckt hadde.

Ten x (xiste) segt waerachtich te syne dat den Duyvel haer dickwils heeft moeyelyck gevallen en aengecomen om andere beesten te doen sterven ende om dat sy naementlyck Jan van Dinant beesten nyet en wilde doen sterven haer gevangene dickwils heeft geslaegen.

Welcken volghens als mede complicen heeft die voorschreven gevangene geaccuseert Catlyn[23] huysvrouwe Jans Camerlincx, seggende dat sy ten eersten als die gevangene ten dans quamp haer Cathleyn huysvrouwe Jans Camerlincx mette grootmoeder aldaer vant[24] ende t saemen dansden op t velt aen't doorne boomken, ende alsoo dickwils als sy gevangene ten danse is geweest, heeft altijd aen de danse gevonden die voorschreve Catlyn huysvrouwe Jans Camerlincx voorschreven, als wanneer sy t saemen hebben gedanst soo op 't velt aen t doorne boomken in de hegge als op de Cruys straet, verclaerende voorts die voorschreven gevangene dat die voorschreven Jans Camerlincx huysvrouwe int comen van dansen haer geseyt heeft, dat sy huysvrouwe Jans Camerlincx heeft doen sterven die beeste van haer eygen Moeder, ende Adriaen van Waesberghen[25] seggende dat die voorschreven Catlyn huysvrouwe Jans Camerlincx soo wel een Tooveresse is als sy gevangene.

Item accuseert noch voor tooveresse Maria huysvrouwe Carel Medaerts seggende als de gevangene ten eersten dans quamp, dat sy die voorschreven Maria op den danse vont ende aldaer t saemen dansden op de plaetse als voorschreven es, ende alsoo dickwils als sy gevangene ten danse heeft geweest, heeft altoos die voorschreve Maria op den danse gevonden ende dede die voorschreven Maria altoos als dandere.

Accuserende voorders Anna van Ranst weduwe wylen Godtsgaffs van Loon oock voor tooveresse, seggende als sy gevangene jerst ten danse gonck, dat sy die voorschreven Anna aldaer vondt, ende sey t saemen hebben gedanst soo op t velt aen t Doorne boomken, in de hegge, als op de Cruys straet, maer en heeft die voorschreven Anna soo dickwils op den danse nyet gesien, als dandere maer die leste van Tandosen (Van Doesen) quamen vermasqueert of die voorschreven Anna somtyts is vermasqueert gecomen en weet nyet, verclaerende die voorschreven drye andere soo wel tooveressen te syn als sy gevangene, begerende seer gherne die doot daer op te sterven dat de voorschreven drye soo ryen syn als sy selver verclaerende, voorders die resterende van de Compaignie nyet gekent te hebben.

Den vij Juny 1627 Coram Van Winde Meyer, Ansseloo, Vuytten broeck, Van de Roy, Van Essche, ende Van Hove schepene, aleer de gevangene voorgelesen is haer vonnis, hadde sy ten voorschreven daeghe ontschuldigt Maria huysvrouwe Carels Medaerts ende daer naer heeft sy verclaert dat sy t selve heeft gedaen door inductie[26] van Bartholoméus van Essche[27] ende naerderhandt van Meyer en schepene geexamineert synde heeft die inductie tegen schepenen bekent, en gepersisteert by haer voorgaende verclaeren seggende dat de selve Marie soo reyn is als sy, begerende alle uren de doot daer op te sterven.

Den viijen Juny daer naer es die voorschreven Catlyn gevangene gejusticieert ende aen de justicie gecomen synde, hebben Meyer ende Schepenen die gevangen doen leyden buytens volcx ende haer affgevraecht off waerachtich was t ghene sy voormaels hadde verclaert, waer op die voorschreven Catlyn antwoorde te persisteren ende te blyven by haer voorgaende verclaeren als t selve synde waerachtich ende die drye andere vrouwen die sy hadde geaccuseert, dat die selve soo wel tooveressen waeren ende syn als sy ende dat sy gevangene geerne de doot daer op storff.

Voetnoten

[1] Met dank aan M. Dodion, medewerker in het AAM.
[2] Met dank aan onderzoeker P. Behets uit Hombeek.
[3] Na de foltering.
[4] In aanwezigheid van.
[5] Anselo, te lezen als Auselo, plaatsnaam in Sint-Margriet-Houtem bij Tienen (Kempeneers, Top. van S.M. Houtem, 2006, p. 115-116).
[6] Ongeveer 15 jaar geleden, dus in 1612 bij de vorige heksenverbranding.
[7] Vgl. met 1680 een pleck bempts geheeten den kareelhoúen, en de nog bestaande Kareelovenstraat.
[8] Vertrok: vertelde de oorzaak van de ruzie.
[9] Kretste: krabde. De duivel deed het om de gevolgen van doopsel en vormsel weg te krabben.
[10] Boeleren: overspel plegen.
[11] Boel: minnaar.
[12] Hegge: 1585 nae de hegge, 2000 De Hek. Veld in het zuidwesten van Wommersom aan de oorsprong van de Heggebornbeek.
[13] Kruisstraat: zo genoemd naar een kruising van wegen. Idem als weg 4 in de Atlas der Buurtwegen, de huidige Oplinterstraat en Zandstraat in het noordwesten van de gemeente.
[14] Voort: voor het weggaan.
[15] Lees Bosschellen, hoeve in Hakendover aan de grens met Wommersom.
[16] Voor de oogst.
[17] Roytken: Middelnederlands roede, roye, verkleinwoord roedekijn, rodeken, rechte tak of twijg, takje, stokje.
[18] Besmert: besmeurd, bezoedeld.
[19] Langen: aanreiken, geven.
[20] Eikeltijd: tijd dat de eikels aan een eikenboom rijp zijn.
[21] Rund.
[22] Het Broek: op 16 mei 1251 geschonken door hertog Hendrik III. Kadasternummer C 567, rond 1860 met een oppervlakte van 15 ha 69 a 90 ca. Thans verkaveld en gelegen langs de Klein Broekstraat.
[23] Namelijk Catlyn Conincx, zie verder.
[24] Vant: vond.
[25] Lees: Walsberghe, plaatsnaam in Wommersom. Cf. 1218 Walsberga, 1221 juxta Walsberghe (verz. Kempeneers), "berg van Walho", hoogte van 60 m.
[26] Inductie: op aanraden van.
[27] In de rand is bijgevoegd: schepen.

Julia Tulkens - Essay (Paul Kempeneers, 1956)


Bibliografie

1.       De Liedjes van Hilda: Kunst bij Kaarslicht, Leuven 1932.
2.       Liederen bij Schemeruur: Kunst bij Kaarslicht, Leuven 1933.
3.       Ontvangenis: Varior, Gent 1936; (2e druk 1937).
4.       Vader: Van Belle, Brussel 1938.
5.       De aardse Bruid: De Spiegel, Gent 1945.
6.       De aardse Bruid: vermeerderde uitgave, Elsevier, Brussel 1950.

Algemeen overzicht en korte biografie

Julia Tulkens is een Vlaams letterkundige, die geboren werd te Tienen in 1902. Deze Tiense dichteres heeft een uitgesproken vrouwelijk dichterlijk talent. Ze trok in 1936 voor 't eerst de volle aandacht met «Ontvangenis», een bundel gedichten van de bruid, de jonge vrouw en de aanstaande moeder. In 1950 verscheen de vermeerderde uitgave van «De aardse Bruid», waarmee ze in 1952 de Poëzieprijs der Vlaamse provinciën verwierf.

Het literaire werk van Julia Tulkens is zeer beperkt. Ze overstelpt ons niet met een golvenzee van verzen, die ons vervelen door hun sentimenteel gedoe en retorische klinkklank. Ze heeft ons een vrouwelijke, diepdoorvoelde poëzie geschonken, die door haar klaterende frisheid en haar realistische kijk op het dagelijks gevoelsleven ons weet te boeien en mee te slepen. Haar intuďtief en instinctief vrouwelijk temperament straalt open in een rijke verscheidenheid van toonaarden, waardoor we nooit die loomvervelende indruk krijgen van altijd-maar-hetzelfde. Neen! We voelen haar wezen en haar-gevoelsleven aan in een harmonie van diverse tonen, die kenschetsend zijn voor haar vrouwelijke natuur. Nu eens openbaart ze zich als de gelukkige bruid, dan weer als de diepbedroefde jonge vrouw, die steun zoekt om in het harde leven recht te blijven staan en te volharden.



 
I. De Liedjes van Hilda

Instinctief en onbewust mijmert de dichteres in stille weemoed over de gelukzaligheid van haar lieve kinderjaren en als moeder vindt ze die gelukzaligheid in de kinderlijke onschuld van haar Hilda. Dit voelen we zeer sterk aan, wanneer ze na dagen van strijd en verdriet weer gaat denken aan haar jongemeisjesjaren. Zij voelt zich totaal vereenzelvigd met haar kind en transponeert alsdan het kinderlijk geluk van Hilda in zichzelf. Zij is het weliswaar die haar geluk uitzingt, maar zo sterk is de vereenzelviging moeder-kind dat beiden één zijn al waren ze nog steeds organisch met mekaar verbonden. Moeder en kind leven één en voelen één. De moeder zingt zich uit door 't gevoelsleven van haar dochter, waarin zij zichzelf herkent. Haar dartelheid en wolkenloos geluk brengt haar opnieuw in de schone dagen van haar kindsheid, De dichteres vangt dan ook aan met het bekoorlijke gedicht:

«Ik ben Hilda, zie je t' niet
Aan mijn rode kaken,
Aan de krieken in mijn hand,
Die zo lekker smaken?
Zie je 't aan mijn kleinen mond,
Aan mijn vlassen kopje?...
Ik ben 't kindje van papa,
t Moeken van mijn popje!»


Bij het lezen van deze bundel innige kinderliedjes stuiten we op geen enkele moeilijkheid. De dichteres houdt niet van een opgeschroefde taal. Haar doel is als kind te zingen over alles wat ze ziet.

Het kind is verrukt bij het aanschouwen van de wonderen dezer wereld. Elke dag is een nieuwe dag, want elke dag brengt geen verveling, maar steeds nieuwe ontdekkingen, Het ziet de bloemekens in de weide, het lonken van een donzig poesje, het geschetter van de vogels, de lieve regendroppels, het witte sneeuwvlokje.

Alles krijgt leven, alles wordt bezield met een eigen wezenheid. Hilda is door haar kinderlijke natuur animist. Hetgeen voor de volwassene dikwijls een voorwerp is tot slecht humeur of dan toch tot onverschilligheid, wordt door Hilda geanimeerd tot een lieflijk wezen met eigen betekenis.

Wanneer Hilda eenvoudige veldbloemen draagt naar haar vader, dan schijnen de bloemen te zeggen «dat ik op bei je wangen, veel kusjes leggen wil».

Wat verder spreekt ze tot het blinkende visje: «Hoor je, klein visken, mijn stemmeken niet?»

Het kartonnen koetje en het rubberkatje verheugt haar hart. De vogels zijn vriendjes, de bloemen geschenken, de regen een wellust! Al wat in het bereik valt van het kind is een voorwerp tot interesse. We voelen aan dat het milieu veel meer waarde heeft voor het kind dan voor de volwassene, niet alleen omdat het steeds nieuw is, maar vooral omdat het argeloze kind zich nog één voelt met de natuur.

In dit opzicht is haar psychologie veel treffender en ook echter dan die van vele psychologen, wanneer we weten dat de psycholoog maar al te dikwijls moet onderdoen voor de begrijpende moeder! Welnu deze dichteres is moeder! Ze kent de kinderziel en ze openbaart ons die in een taal, die radicaal de spot drijft met geleerde kinderpsychologie. Ze spreekt tot de harten, die deze enig mooie waarheid kennen: drie schoonheden zullen er altijd blijven bestaan de bloem, de ster en het kinderoog.

Bij deze beschouwing zou het werkelijk verkeerd zijn dit gedichtje niet te vermelden, een werkelijk pareltje van een weergaloos zuivere kinderpoëzie, waarin voor de eerste maal het onschuldige kind de grootste vraag stelt, de vraag van het leven zelf.

«ONS POES»
«Ons poes heeft poezekens gekocht.
Je moest ze 'ne keer zien!
Twee rosse en twee zwartekens,
...Ze kunnen nog niet zien!
Ze kunnen nog niet slabberen,
Ze kunnen nog niet gaan...
Zeg, moeken, toen ik kleintjes was...
...Is 't zóó met mij gegaan?...»


Het bundeltje eindigt met een «Tot Ziens», waarna Hilda slapen gaat.


II. Liederen bij Schemeruur

«Naďef en lief zijn deze liedjes als vogelengekweel in nevel, blauwen schemeravond, nog even voor het slapen gaan. Fris en eenvoudig als lentebloemen, zangerig als heel oude volksliedjes met soms een dieperen klank van stil trillend leed», zo kenschetst Hélčne Swarth de nieuwe toon, die van uit deze verzen tot ons doordringt.
Inderdaad in deze verzenbundel klinkt een heel andere toon! Het thema heeft de dichteres zelf uiteen gezet in de twee eerste verzen die het boek inleiden:

«Toen nam de spinster 't illusiewiel
En spon haar dromen, als d'avond viel.»


De spinster, waarmee ze zichzelf vereenzelvigd voelt en die slechts een tussenpersoon is om haar eigen gevoelens te uiten, neemt het spinnewiel der illusies en begint haar dromen te spinnen in het schemeruur. De toon wordt hier veel dieper dan dit het geval was in de «Liederen van Hilda». Koesterde ze een utopisch verlangen naar de gelukkige staat der kinderziel, dan blijkt thans dat haar wezen, in haar verzen uitgedrukt, veel intenser wordt. Haar vroegere verlangens worden heel wat complexer. Ze vindt haar bestaanskracht in het najagen van een subtiele droom, die de harde realiteit van het leven verdoezelt en omfloerst. Ze weet dat het dromen zijn, maar ze houdt er zich aan vast. Zonder die droom ware haar leven slechts een stoffige puinhoop of een doodziek geraamte.
Wat ons hierbij ten zeerste treft, is het feit dat haar liefde — om niet te zeggen hartstocht — voor de natuur een wezenlijker en een diepere inhoud krijgt.

«De zomer is aan 't sterven in
den schemer op mijn ruiten»
.

Ze haalt deze naar zich toe: ze weeft ze samen met haar weemoedige ziel:

«De boten van mijn weemoed varen
Zwijgend op de zee;
De wit-geheven zeilen dragen
t Raadsel van mijn wee...»


Die weemoed voelt ge als iets echts: hij komt uit de ziel van een die tobt met een zwakke gezondheid en zo graag leven wil en liefhebben. De diepere levensinhoud weerspiegelt zich ook in haar taal: het vers is oorspronkelijker geworden dan in haar vorige gedichten en vindt beminnelijke beelden. Haar aanvangsverzen zijn als een uitstorting van het éénzijn met haar innerlijke dromenwereld.
Gestadig aan, gedicht na gedicht, vervloeit de dromerige melancholie van de dichteres in een steeds meer omvatbare werkelijkheid.

«Jasmijnen sterven in den morgen,
want Mei is heengegaan.
Waarom hebben zovele dromen
maar een jasmijnen meibestaan?»


Elk gedicht trekt een sluier weg van haar bestaan. Ze dringt door tot haar eigen innerlijk, maar dit alles groeit uit tot een onbewuste strijd, -tot het boek eindigt met het geluk dat de werkelijkheid brengt. Haar verzen schilderen dan ook een opgang, een zich ontworstelen aan een droom, waaraan ze zich nochtans liefdevol gehecht voelt!
In deze bundel toont ze zich zoals de wandelende Jood, die doolt en twijfelt in holle dromen tot ook hij het geluk vindt in het dagelijkse leven met zijn medemensen.

«Vergooi uw dagen niet
aan al te mooie dromen;
hetgeen illusie spon, mijn kind,
zal nooit tot waarheid komen.
Pluk in de werkelijkheid
de vreugd u daar gegeven...»


Wie de verzen uit deze bundel leest, komt tot de vaste overtuiging dat Julia Tulkens zich meer toont dan de kenner van de kinderziel. Immers de werkelijkheid heeft thans haar eerste overwinningen geboekt. De dichteres leefde in het verleden; weemoedig verlangde ze naar een terugkerende kindsheid. Dit utopisch verlangen heeft ze in haar opgang in dit boek van zich weten af te rukken. Haar boek is als een mooie droom, die eindigt met een dag, stralend van zonneschijn!

In deze frisse morgenstond is de dichteres bereid zich te wijden aan de taak, die het leven haar stelt. Ze voelt zich als de jonge sterke vrouw, die onversaagd de zware last van het bestaan op zich neemt.

«Pluk in de werkelijkheid
de vreugd u daar gegeven:
al zijn haar gaven schraal, mijn kind,
ze klaren toch het leven!»



III. Ontvangenis

Met deze bundel trok Julia Tulkens opeens de volle aandacht op zich. De intense belangstelling, die zo plots naar deze haast onbekende vrouwenfiguur werd gericht, was niet ongegrond. Zo kon Karel Jonckheere van haar zeggen: «In onze eigen letteren moeten we zeer hoog opklimmen om een vrouw te ontmoeten, die zonder blad voor de mond, zo individualistisch en zo spontaan onbevangen, de roerselen van het zuiver vrouwelijke durfde weergeven».

Stemmen van protest klonken steeds harder en harder om deze hoogstaande poëzie voor onzedelijke verzen te willen doodverven. tot eindelijk Marnix Gijsen in zijn «Peripathetisch Onderricht» een gloeiende verdediging neerschreef, niet om haar werk mooi te praten maar wel om haar poëzie te rechtvaardigen.

Wanneer we immers spreken over «reserve», dan bedoelen we daarmee niet het spreken over alles behalve dan over dit ene onderwerp, maar wel de smaakvolle manier waarop en de gepaste termen waarin een zeer delicaat en intiem onderwerp behandeld wordt. Inderdaad van uit het standpunt van het behandelde onderwerp worden vele schrijvers voor pornografen versleten, terwijl het juist ligt in een tactvolle behandeling van een kies probleem.

Welnu de gevormde lezer zal spoedig ondervinden dat Julia Tulkens in «Ontvangenis» daarin volkomen is geslaagd.

De dichteres ziet in de ontvangenis de essentiële betekenis van het samenleven van man en vrouw. Het wezen van de vrouw wordt zowel geestelijk als zinnelijk volkomen gesublimeerd. Als zodanig wordt de ontvangenis het doel zelf, alsmede de hechtere aaneensluiting van de wederzijdse liefde. De moeder is hierdoor tevens de veredelde jonge vrouw, die in haar kind nieuwe kracht vindt om te leven. Kende de dichteres in «Liederen bij Schemeruur» slechts een melancholische wereld van ijle dromen, dan heeft ze thans zichzelf leren kennen en begrijpen.

«Gij hebt me zelve leeren peilen,
ik, die maar droom en weemoed was.
Ik bleef verrukt over de klaarte,
die 't leven plots gekregen had.»


De dichteres heeft de bundel in twee delen ingedeeld; «Liederen voor den Man» en «Liederen voor het Kind». Haar doel was de structuur der conceptie in de structuur van haar bundel weer te geven: enerzijds de lof voor de schepper van het kind en anderzijds de vreugde om de vrucht zelf.

Ze vangt aan met te zeggen dat het summum van de eenheid tussen man en vrouw het liefdekind doet geboren worden:

«Uit onze woorden, uit onze dromen,
uit onze verlangens en onze drift,
wordt gij, mijn liefdekind, geboren:
nieuw takje in mijn schoot gegrift.»


Eenmaal de zinnelijke schaamte overwonnen, verklaart ze zich bereid zich totaal te geven aan de man als hoogste bewijs van haar liefde, die hierdoor nog verstevigd wordt. Het genot wordt vergeestelijkt en op een hoger plan gebracht. De noodzakelijke verhouding dringt zich niet op als een laagstaand hedonisme, maar als de natuurlijke scheppingskracht in het huwelijksleven.

Als zodanig mag er aan de zedelijkheid van haar verzen niet getwijfeld worden. Dit alles wordt niet alleen subliem door zijn hoogstaande inhoud, maar ook door de tactvolle vorm, waarin ze haar liefdeleven weet te openbaren.

«Ik min U om uzelf.
Ik min U om de weelde,
die ge in mijn jonge leven hebt gebracht.»


De toekomstige moeder voelt zich innig gelukkig, nu het jonge leven reeds begint te woelen in haar schoot.
Door die gezegende staat wordt ze egocentrisch en verheven boven de vrouwen:

«Ik voel me rijk nu, boven vele vrouwen...»

Ze komt tot het volle besef dat he haar kind is. Dit egocentrisme vermeerdert nog in sterke mate, naargelang de dag van de verlossing nadert. Ten slotte wordt de dichteres door haar zalig geluk zo bevangen, dat ze in haar hartstocht en haar pijn slechts enkele verzen weet uit te schreeuwen. Hier spreekt ze U niet meer aan met haar kalme beheersing en haar dromerig verlangen; getormenteerd door hoop en martelpijn schreeuwt ze haar geluk uit en baart haar kind...

«De stonde der verlossing naęrt...
Een wreede, dolle martelpijn,
die steigrend door mijn flanken vaart,
doet me vol hoop en wanhoop zijn.»


En verder:

«Een ijzig-langgerekte kreet,
die schor bleef hangen in de kamer,
nam u, mijn kindje, uit mijn schoot,
en lei u voor het daglicht bloot.»


Het laatste gedicht van de bundel is een gebed. In haar kleinmenselijkheid beseft ze de grootheid van Gods almacht, die het mirakel van de schepping in haar lichaam liet gebeuren. Gelouterd door de Genade beseft ze ook de grootheid van het Moederschap, dat zij een hoge betekenis geeft in het licht van het scheppend Opperwezen.

«Mijn God,
wat ben ik klein in Uw oneindigheid,
nu het mirakel van de schepping
tot in mijn lichaam
is gedijd.»

«Wat ben ik klein in deze wereld,
in het mysterie van Uw macht,
waarvan ik niets dan wat genade wacht.
En toch, o God,
wat ben ik groot
en rijk nog in mijn eigen nood
nu ik, mijn lach vol zaligheid,
mijn kindje aan zijn vader reik!»



IV. Vader

(Jan. 1938, Letterkundige prijs van de provincie Brabant voor Vlaamse Letterkunde).

In het werk van Julia Tulkens speelt haar huiskring een voorname rol: Hilda, haar dochtertje, haar man; nu is het de herinnering aan haar vader, die aan de dichteres een diepdoorvoelde poëzie ontlokt.

De dood van haar vader is een nieuwe aangrijpende ontroering. Deze man is voor haar steeds een steun geweest, waaraan ze zich vol vertrouwen kon vastklampen gedurende de lange jaren van haar wankelende gezondheid en stil verdriet. Het ontvallen van deze steun is voor Julia Tulkens een zeer harde slag geweest, die zijn uitdrukking vindt in deze innige en niet minder menselijke versbundel. Om de huiselijke sfeer aan te vullen verschijnen in deze bundel ook de moeder en grootmoeder met hun diepe, niet te stillen smart en de eenvoudige wijsheid van een rustige levensbeschouwing.

Moeder:
«Uw armen waren vragend over 't dode lijf gebogen.
Uw wanhoop zocht nog licht in de gedoofde ogen.
Gij wankelde aan de grens van leven en dood
en voelde hoe heel uw wezen over die grenzen vlood.»


Grootmoeder:
«Gij voelt u stil in hem vergroeien
terwijl uw hart nog de aarde zoekt.»

«lk weet, dat qij naar mij gekeerd
uw jongen in mijn blik vereert.»


De verzen zijn hier doordrenkt van de dood en van het besef der vergankelijkheid. De dichteres voelt nu meer dan ooit, dat zij voer de overleden vader het kindje is gebleven, dat liefheeft en niet vergeten kan.

«Want in mijn vrouw- en moederschreden
ben ik zo dikwijls nog het kind,
dat naar uw vaderhand gegleden
plots dalgrond van uw sterven vindt.»


Zij beseft dat na de dood alleen de herinnering de schakel blijft tussen zichzelf en de afgestorven vader;

«Gij hebt geen hart, geen aangezicht
om nog tot mij te dringen.
Gij zijt nog maar een naam, maar och,
hoe vol herinneringen»
.

Het onvergetelijke beeld van de dode vader is het leidmotief van de bundel. «Ontvangenis» werd het lied van de levenschenkende moeder, het lied van de man en het kind, van het wekkende en verwekte leven, Met haar bundel «Vader» stond zij voor de antipode van de geboorte, voor het aanschijn van de dood.

Meer nog dan in haar voorgaande bundel is het talent van Julia Tulkens tot volheid gekomen. Haar gedichten zijn zelfstandiger geworden, stevig van bouw en ontdaan van elk overtollig sieraad. Haar gevoel is diep menselijk geworden, haar woord besnoeid en kernachtig. Eenvoud en sobere bewoording openbaren een innigheid en een werkelijk bezielde overgave aan het thema. Behandelt de dichteres een alledaags gevoel, dat gerechtigd en natuurlijk moge wezen, toch heeft ze in haar diepdoorvoelde ontroering haar verzen weten op te voeren tot werkelijk hoogstaande Vlaamse poëzie.


V. De aardse Bruid

(Poëzieprijs der Vlaamse Provinciën, 1951).

In deze bundel staat Julia Tulkens oneindig ver van de eerste melancholische klanken, die zij, in de aard van Alice Nahon, aanvankelijk liet horen. Deze gedichten zijn niet langer een verre afglans van wat wij als invloed van Alice Nahon zouden kunnen beschouwen. De zwarigheid, die in «Liederen bij Schemeruur» slechts het gevolg was van gebrek aan inzicht en de uiting van een zwaarmoedig innerlijk, veroorzaakt door ziekte en verdriet, is hier niet langer meer aanwezig. Hier treft integendeel inzicht en aanvaarding van de vergankelijkheid van alle ding, van alle leven, van alle droom...

Nu is ze definitief de wegen van verruiming en verdieping opgegaan. Zij zingt zich uit over de innigste roerselen van de menselijke ziel, over het intiemste menselijk leven zelf, nl. het leven in zijn drie hoofdmomenten: de geboorte, de dood en de liefde.
Tussen de twee polen in van geboorte en dood verloopt het leven en rijpt de liefde.

In de eerste cyclus «Eva» wendt ze zich tot het oerbeeld van iedere vrouw, die tevens de stammoeder is van alle lusten, van alle vreugden, maar ook van alle zonde en van de verdwijning uit de zaligheden. De dichteres spreekt met haar van vrouw tot vrouw, in een specifiek vrouwelijke taal:

«0 Eva, verre vrouw, verloren in de tijden,
verloren aan de grenzen van leven en van dood,
hoe voelen wij uw schim in eigen beeld verglijden,
o gij, die in uw blik de hele wereld sloot.»


Met de levensdaad omarmt de vrouw reeds de dood:

«...tot gij, in deze val, het eerste kind mocht dragen,
maar in dit moederschap... het teken van de dood!»


De liefde tussen man en vrouw, waarvan het kind de tastbare waarborg vormt, laat de vrouw toe boven de eigen lichamelijke vergankelijkheid naar de eeuwigheid te schrijden, vereeuwigd door het zich steeds hernieuwend moederschap.

Het tweede deel werd eerst geschreven en gaf de titel aan de hele bundel: De aardse Bruid. Het is een loflied aan de liefde en het moederschap van alle aardse Eva's, die naar het paradijs blijven hunkeren en alleen de bevrijding vinden in de liefde. Vond Hadewijch voldoening in de mystieke liefde tot God, dan weet Julia Tulkens zich volledig te louteren in de aardse liefde, die voor haar een schakel betekent met de moederloze vrouw, die eens Eva was… Zij reiken elkaar de hand aan de horizont van alle tijden, van alle begin en alle eeuwigheid.

De aardse bruid is een ode aan het leven, dat voor elk individu vergankelijk is, maar in de ketting der geslachten eeuwig duurt.

«Ik dans door uwe tuin en pluk er al mijn lusten,
doordrongen van uw licht en mijn vergankelijkheid.
Ik weet op elke tred uw verre zegen rusten
en reik naar alle ruimte en eind in alle tijd.»


Het is de aardse vrouw, die alle aardse lusten bezingt. Met haar vrouwelijke gevoeligheid heeft de dichteres bij het behandelen van zulk subliem, maar delicaat motief, zich weten te hoeden voor trivialiteit en laagstaande zinnelijkheid. Als een ware «mystieke» aardse bruid is Julia Tulkens er volkomen in geslaagd het louter zinnelijke te transponeren op een verheven geestelijk plan. Alleen een grote dichteres is door een zuivere oprechtheid en met een sobere taal in staat op zulke serene en verheven wijze het diepst vrouwelijke weer te geven.


VI. Na het Bruidslied

In «Na het Bruidslied», treffen we benevens enige nieuwe gedichten, een keuze aan uit «Ontvangenis», «Vader» en «De aardse Bruid». De gedichten die ze erin heeft ondergebracht behoren tot de beste die ze heeft geschreven.

Willen we tot de essentie van haar werk doordringen en een synthese geven van wat zij heeft voortgebracht, dan zien we een gedurige ontwikkeling, niet zozeer wat de uitdrukkingsmiddelen, dan wel wat de levensinhoud betreft.

In «Ontvangenis» bezingt de dichteres op zeer delikate wijze de vereniging van man en vrouw en de geboorte van het eerste kind, dat de wederzijdse liefde gevoelig versterkt.

In «Vader» wordt Julia Tulkens getroffen door het raadsel van dood en vergankelijkheid. De idee, die uitgroeit tot een ontroerd verlangen naar een nieuw samenzijn, ontlokt de dichteres hoogstaande gedichten, waarvan bezinning en berusting na het bittere leed kenmerken zijn.

In «De aardse Bruid» en latere gedichten brengt het contrast tussen haar angst voor de dood en haar drang tot levensverheerlijking de dichteres tot een extatische visie van het leven en zijn vraagstukken.

Over de bedoelingen en de opvatting van haar poëtisch oeuvre heeft nooit iemand duidelijker geschreven dan Julia Tulkens zelf:

«Wij zijn de vrouwen geweest die de romantiek gezonder en menselijker hebben gemaakt. Al spoedig hebben wij, gegrepen door de tragiek en de nuchterheid van het leven, aangevoeld hoe voos, hoe vals het spel was met tedere rijmen en lijmerige woorden... Vrouw-zijn! Wij willen ons niet anders dan ons evenbeeld in de spiegel, niet anders dan onze eigen schaduw, niet anders dan Eva's als wij zijn: juichend van hartstocht, versteld van ontroering, gemarteld door verkropt leed! Vrouw, zo zwak en zo groot... de dood en God.., Neo-romantisme? Ja, maar hoe geschakeerd: ingetogen, sensueel, religieus, pantheďstisch!»


Kempeneers P., II L.
Secundaire Normaalschool,
Tienen.
februari 1956.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional