Al meer dan 722.000 bezoekers!

Nieuwsbrieven

Publicaties

Nieuwsbrief april 2012

Luikse namen

Wie een vreemde naam heeft, denkt al vlug dat hij van een soldaat uit het buitenland afstamt. Stamboomonderzoekers weten wel beter.

Vreemd is wel een naam als De la Bastita. Hij komt al vroeg in Aarschot voor als naam van een Italiaan, zoals ik in mijn boek over Aarschot heb aangetoond. Voor andere vreemde namen moeten we het dichter bij huis zoeken. In dit artikel ga ik wat dieper in op enkele namen uit de provincie Luik.

Edgard Renard beschreef in "Notes d'anthroponymie liégeoise" de herkomst van honderden soms eigenaardige vormen, verzameld uit de telefoongids en andere bronnen uit de provincie (zie Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, 1952). Heel wat van deze namen zijn thans ook in andere provincies bekend.

Wathelet is een verkleinwoord van Waltier. Door aferesis (klemtoon op de tweede e) wordt de afkomst van een naam al eens minder doorzichtig. Aferesis betekent het wegvallen van een klank in het begin van een woord. Zo werd Robinet verkort tot Binet, een vleivorm op -inet van een bert-naam. Kinon ontstond door aferesis uit bv. Jacquinon. Moniquet is een vleivorm van de voornaam Simon, en Massa of Massart is een vleivorm van Thomas. Een Johannes Massart kwam al in 1354 in Tienen voor.



Een groot aantal namen zijn nog volledig verklaarbaar. Denken we aan Bonjean (Goede Jan) of Grosjean (Grote Jan), Lebeau of Lebel (De Mooie), Lhomme (te vergelijken met De Man), Naveau (verkleinwoord van navet met de betekenis raap, dus een raapverkoper), Pellegrin (reiziger, vreemdeling, soms in verband gebracht met een verplichte bedevaart als straf), Randaxhe en de bij ons bekende variant Rondas (uit het Luikerwaals randahe met de betekenis potig, krachtig, robuust), te vergelijken met Vigreux of Vigoureux (de krachtige).

Andere namen zijn minder doorzichtig zoals Lebegge (bijnaam voor een stotteraar of broddelaar), Demoitié uit Delmoitié (de helft, voorbeeld een pachter van een half hof of halve hoeve), Froidcoeur (iemand met een koel hart, of met verkeerde interpretatie van coeur in plaats van cour, dus iemand van een koel hof), Malcorps (op het eerste zicht met de betekenis iemand met een mismaakt lichaam, maar waarschijnlijker een vervorming van Macor, afgeleid van een Germaanse voornaam zoals Markward).

Veel Luikse namen zijn afkomstig van een uithangbord of een beroep. Voorbeelden zijn Lecocq (De Haan), Dusoleil (afkomstig van een herberg Au Soleil d'or), Lerut (een Waalse aanpassing van de Nederlandse naam De Ruyter), Graindor (letterlijk goudgewicht, beroepsnaam van een goudsmid), Blanpain uit Blancpain (de verkoper van wit brood), Marteau (hamer, bijnaam voor een smid).

Bijdragen in...

In Brabant Cronikel, jg. 16, nr. 2, maart-april 2012, verschenen 2 artikels:

- Schrikkeljaar in het Latijn, p. 24
- Attenhovense families in 1704, p. 27-34.



De Kaart van de Handboogschutters in Langdorp


Technische fiche

In de Inventaris van de Gilden en Ambachten nr. 981/23, bewaard in het Rijksarchief te Leuven, zit slechts 1 nummer over Langdorp. Dit nummer gaat over de "kaerte" van de oude handbooggilde. De titel en de eerste regel zijn mooi versierd. Letterlijk omgezette kaarten zijn moeilijk te vinden. Daarom heb ik de 33 artikelen van het reglement omgezet. Veel gilden kregen hun reglement van de gilde van Leuven of Brussel. Onderstaande tekst, geschreven rond 1700, is een voorbeeld van andere kaerten in Brabant.
Over de schutters van Langdorp heb ik een hoofdstuk gewijd in mijn boek "Langdorp. Plaatsnamen en hun Geschiedenis" (2011). De oudste vermelding die ik over de schutters gevonden heb, dateert van 1565: de Guldebroeders van Langdorp van den auden handtboge (Kerkarchief 3321, RA Leuven). Langdorp telde twee confreries van Sint-Sebastiaan. De eerste en oudste heette de Oude Handboog. Ze telde 30 leden. Deze schutters bezaten een altaar in de kerk van Langdorp. Ze vergaderden in het Schuttershuis op de Plaats, dat echter al in 1597 een ruïne was. Ik heb dit huis gelokaliseerd op de Langdorpsesteenweg nr. 256, met de kadasternummers E 305-306.


Aan de westkant grensde het Schuttershuis aan een nog bestaand Schutterspad. Dit pad liep eertijds naar het Schuttershof op E 312 en verder naar de School, die door de troebelen in de helft van de 17de eeuw naar het Kerkhof werd verplaatst. Het Schuttershof was eigendom van de kerk. Omdat de schutters er eikenbomen hadden gekapt en verkocht, rees er een geschil tussen de schutters en de pastoor. Het geschil werd in 1718 bijgelegd.
Het schieten gebeurde aan de Papegaaiboom op 1 mei. Deze stond op de Sprinkheuvel, waar de gilde eigenaar was van de percelen E 25-26-27. De boom of wip was een staak met bovenaan een nagemaakte vogel als doelwit voor de schutters.

De tekst van de Kaart

Kaerte vanden ouden Handt=boghe van Langhdorp.

(i) Jtem jnden eersten, wanneer men den voghel schieten sal, dat als dan een yeghelyck vande ghesellen sal moeten metten ouden Coninck gaen ten voghel waert, tot onder den Papegaey Roeye ende daer moeten blyven soo langhe den Coninck syn dry scheuten heeft gheschoten, ende dat een yeghelyck syn selven sal moeten wachten van eenich prykele [= gevaar], het sy van Bouten op het hooft te vallen, oft eenighe andere peryckele haer aff comende, sonder dat eenighe Gulde broeders daer schade oft last sullen aff hebben, ende oft ghebeurde dat yemant vander selver Gulde wilde naden voghel schieten eer den Coninck syn scheuten heeft gheschoten (alsoo dicmaels alst ghebeurt) sal verbeuren elcken scheute twee pont wasse, tot behoeff vanden Outare. Ende oft yemant daerna schote die inde Gulde niet en ware ofte en is, sal verbeuren twee pont Tens [= tin] metten fatsoene dat den Gulde daer aff begeert ghemaeckt te hebben, [later bijgevoegd: ende daeren boúen noch te moeten betalen alle het geene dat die gulde dien dach verteert].

(ii) Jtem elcke Guldebroeder sal moeten gaen met synen Boghe, ofte ten minsten met eenen Pyle van haerder Camere, onder die Roeyen, gheschoten synde sal moeten gaen met den Nieuwen Coninck tot voor die Camere der selver Gulden (behalven die gheene die op die Gulde dienen vander selver Gulde) op een ceure [= boete] van een halff pont was, ende oock wie ten maeltyt niet en is, ofte en coempt, sal ghelden ghelyck die gheene die daer sullen hebben gheweest.

(iii) Jtem dat een yeghelyck vande ghesellen syn polluere [= versiering, staatsiekledij] alsoo die geordineert sal worden, ghemaeckt van eender couleuren, ofte pollueren vander selver Gulde alsmen den Voghel schieten sal, op ceure van een pont was.

(iiij) Jtem datmen altijt Cost ende Maeltyt houden sal op Sinte Sebasteaens dach [= feestdag van Sint-Sebastiaan, 20 januari], ende van ghelycke op vogheldaghen, ende als dan een singhende Misse doen voor Sinte Sebasteaen, ende aldaer offeren eenen zilveren penninck, ten minsten weert sijnde ix Mijten, ende sullen moeten blyven die Misse uyt hooren, op die verbeurte van een pont was. Ten ware dat sy sonderlinghe nootzake hadden ofte By oorloff [= toestemming] vande Dekens.

(v) Jtem ofte ghebeurde dat den Hooftman vander selver Gulden Coninck werde, dat als dan den selven Hooftman ofte Coninck eenen anderen Hooftman sal moeten stellen in syn plaetse, daer die ghemeyne ghezellen mede te vreden zijn.

(vj) Jtem als den Coninck, Hooftman, Dekens, ofte ghesworen doen daghen, sal een yeghelyck tot dier uren daer sy op ghedaecht syn, moeten aldaer syne op verbeurte van twee stuyvers, ende teghen dese Boete en sal nyemant moghen seggen, Maer die terstont oplegghen ende betalen oft daer voor pandt halen, het welcke den Gulde daer aff believen zal.

(vij) Jtem als eenighe ghesellen vander selver Gulden aflyvich worden, datmen dan met de ghemeyne Ghesellen begraven sal ende metten zelven dooden lycke gaen, met hare cleederen vande selver Gulden. Ofte ten minsten die huysvrouwe vanden voorschreven gheselle, est zake dat die huysvrouwe vanden aflyvighen dat begeert, ende wie dat niet en dede, sal verbeuren een halff pont was, ende dies ghelycke met de Kinderen van de selve Guldebroederen, ende sullen gehouden syne mede Offeren te gane, by dien sy daer toe werden ghedaecht.

(viiij) Jtem als yemandt vanden ghesellen aflyvich wort vander voorschreven Gulde, dan sal die Gulde hebben synen besten Boghe, ofte by aldien hy gheenen Boghe en heeft, sal vrij sijne met iiij stuyvers ende men bevijnt [= men bevindt, men ondervindt] dat sy die Boghe versteken, soo sullen sy dien dobbel moeten betalen.

(ix) Jtem waert [waert: ware het, indien het zo zou zijn] bij alsoo dat die schutters de eene den anderen hieten lieghen gaene ofte andere iniurie van woorden [= belediging met woorden] gaven op de Camere oft inden hoff, die sal verbeuren telcken male een ceure van eenen halven stuyver.

(x) Jtem oft eenighe vanden Ghesellen der selver Gulden gheliefden ofte begheerden uyt te gane, sal moeten gheven ende betalen het ghene dat die Gulde schuldich is van dien daghe als sy uyt gane, ende en sullen niet moghen uyt gaen dan op Synte Sebasteaens dach metten vollen coste, ofte sy daer comen mede teren oft niet, ende voorts mede te moeten betalen al het gheene die Gulde schuldich is.

(xj) Jtem wat Ghesellen dat aennemen wilt dese voorschreven Gulde, die moet dat versoecken dry sondagen lanck aenden Coninck ofte Hooftman, oft Dekens te ware in feestdaghen vanden Papegaeye te schieten ofte Sinte Sebasteaens dach, daer inne comen mach met eenen versuecke, ende by alsoo hy int voorschreven gheselschap ofte Gulde wort gheadmiteert ofte ontfanghen, sal als dan gheven den Knape vander zelver Gulden voor syne handtschoene eenen stuyver Brabants, ende sal als dan eedt doene alsoo dat behoort, ende oft ghebeurde dat daer eenighe Guldebroederen waren ende dien niet en begeerden te ontfanghen, soo moghen sy daer niet inne comen dan te moeten vertrecken vande selver Cameren vande Gulden, op ceure van een pont was.

(xij) Jtem waert alsoo dat ghebeurde van eenighe Ghesellen na dat den Knape vander selver Gulden den selven ghecondicht hadde, dat syne colve [= bijdrage voor de kosten van een vergadering] syn soude ter naester vergaderinge [= op de volgende vergadering], ende selven Gheselle haer colve voorschreven binnen xv daghen daer nae haer colve verteert sal syn, niet en betalen, dat sy als dan daer ane verbeuren sullen een half pont was, ende daer voor sullen moghen pant halen tot synen huyse, ende die van stonden aene vercoopen opden coste van die gebrekelycken Gheselle.

(xiij) Jtem alsoo wanneer men schutters vander selver Camere die eene teghen den anderen schieten inden hoff oft elders, dat sy niet dierder [= duurder] schieten en moghen dan een oort [= 1/4 stuiver], op eenen ceure van eenen stuyver brabants, alsoo dickmaels alst ghebeurt. Maer elcken schutter mach schieten teghen schutters van buyten alsoo diere alst hem believen sal, onbeghrepen dat sy malcanderen moeten betalen eer sy uyten hove [= uit den hof, namelijk de Schuttershof] oft vanden Berghe gaen moghen, op ceure van een halff pont was.

(xiiij) Jtem waert zake dat eenighe schutters coomenschap [= koopmanschap, handel] dede den eenen teghen den anderen, inden hoff oft Camere, dat sy die coomenschap sullen moghen quyt syne met vyf stuyvers Brabants ende die vyff stuyvers breinghen des anderen daechs voor den Noene met den bycoop aenden hooftman, oft dekens, ende die Bekere tot recuperatie vander selver gulden.

(xv) Jtem dat die Ghesellen vander selver Gulden sullen moghen verteren met Boden van Landt-Juweelen xxv stuyvers, ende den Bode gheven x stuyvers Brabants.

(xvj) Jtem dat die Ghesellen sullen moghen verteeren met Boden uyt steden, vryheden, ofte dorpen, comende van Haghe spelen [= voorstelling en feest van een rederijkerskamer, kleiner van een landjuweel], alsoo veire alst [= voor zover als] t'zilver is xx stuyvers ende van Tenne x stuyvers, den Bode gheven vyff stuyvers.

(xvij) Jtem oft ghebeurde dat eenighe Ghesellen uyt steden, vryheden, oft dorpen eenighe pylen op hinghen om schieten, ende die selve Guldebroeders dien aftoghen, dat dien selven gheselle dien aftreckt oft doet aftrecken, dat dien daer aff hebben sal vander selver Gulden voor syne peze ij stuyvers Brabants.

(xviij) Jtem oft ghebeurde datter vier ghesellen oft meere vander selver Gulden wilden schieten des sondaechs ofte des heylighendaechs inden hoff, dat die Ghesellen hebben sullen vander zelver Gulden tot elcke reyse twee potten biers, ende die inden hoff moghen t'samen uyt drincken, ende nyemandt en sal inden hoff moghen schieten die in die Gulde niet en syne, ten ware met consente vande Dekens.

(xix) Jtem dat die Dekens oft ghesworen sullen moeten het Ghelt inne halen, binnen haren tyde ghemaeckt oft selver betalen. Maer waert by alsoo dat sy niet te panden en vonden, soo salt als dan die selve Gulde tot haren laste draghen.

(xx) Jtem offer [= of er] eenighen twist ofte oneenicheyt onder die ghemeyne Ghesellen op die Camere ofte oproer voor die Camere, ofte inden hoff quame, sonder yemandt dat? te blyven, dat sy dat sullen moeten opgheven den Coninck, Hooftman, Dekens ofte ghesworen in haerder absentie ende by alsoo sy dat weygheren, dat sy daer ane verbeuren sullen alsoo dickmaels dat ghebeuren sal een pont was, ende voorts staen tot corectie vanden voorschreven twist [later toegevoegd: ende alle keuren, bruecken ende correctien daer inne den heer zoude moghen eenichsints ghericht zyn (naervolgens het keurboeck de zelue reserueert) de heer hem daeraf altyts zyne comvosceren]. [waarschijnlijk convoceren = samenroepen]

(xxj) Jtem dat elcken Gheselle vander selver Gulde ghehouden sal syne op die dry daghen (te weten op Sinte Sebasteaens dach, op Sinte Rochis dach, ende Sinte Peeters Misse) te moeten betalen die costen, oft sy daer hadden gheweest, ende Generale Processiedagen Te weten op den Kermis dach, ende op den dach dat men het Chrisdom inhaelt, ende op den heylighen Sacraments dach te gane met haren polluren ofte cleederen inde Processie tot dat sy weder in die Kercke is, op een ceure van een pont Tens metten fatsoene tot behoeve vander selver Gulden, ten ware dat sy in die Kercke dienden ofte dienen mosten.

(xxij) Jtem wat Ghesellen dat gecosen zyn ofte worden tot offitie [= waardigheid, ambt] vander selver Gulden by overdraghen vanden Coninck, Hooftman, Dekens, ofte ghemeyne Ghesellen, dat dien gheselle sal moeten aenveerden die selve offitie sonder weygheringhe ofte regeur [= Frans rigueur: hardheid, gestrengheid] daer inne te maken, op ceure van iij pant Tens metten fatsoene daermen dat toe ordineren sal, by die zelve officieren ofte ghemeyne Ghesellen.

(xxiij) Jtem oft ghebeurde dat die voorschreven ghesellen wilde ofte mosten ten schietspele trecken, ende die macht niet en hadde, dat sy haer secoers [= hulp, bijstand] ende onderstant sullen hebben van het Dorp om ten schietspele te trecken tot wat plaetsen dat ware, ende dat daer nyemandt en sal moghen trecken dan die gheene die daer toe vanden coninck, hooftman, dekens ofte gemeyne Ghesellen ghecosen sullen worden, ende ofter [= of er] yemant vande ghemeyne Ghesellen mede begheerden te trecken ende daer toe niet ghecosen en ware, sullen dat moghen doene op haren coste.

(xxiiij) Jtem dat nyemandt vande Ghesellen en sal moghen quade eeden sweeren, ons Heeren, ofte synder Moeder aengaende den Heylighen, ofte andersins, ofte oock oneerbaerheyt, van vrouwen spreken, op ceure van een halff pont Tens metten fatsoene, ende noch een pont was te offeren voor Sinte Sebasteaen.

(xxv) Jtem oft eenighe Ghesellen Keurachtich ofte breuckachtich met vonnisse ghewesen worden nae inhoudt deser Caerten ende dien Ghesellen daer teghen wilde seggen [= niet akkoord gaan] ende aligeren [= bewijzen aanbrengen] ende den vonnisse niet en wilde obidieren [= gehoorzamen] ofte voldoen, soo sullen alsdan den Coninck, Hooftman, Dekens ende ghemeyne Ghesellen moghen zeynden den Knape vander zelver Gulden, op dien ghebreckelycken [= in gebreken zijnde] Gheselle tot Langhdorp, voor den Coninck, Hooftman, Dekens der ouder Gulden van Sinte Sebasteaen met eenen besloten brieve van synen ghebreke ende vonnisse daer aff ghegeven, om hem daer inne te bedwinghen alsoo daer toe behoort, ende den selven Gheselle sal ghehouden syn te voldoene, by alsoo [he]m onrecht bevonden wort met die costen daer op ghedane.

(xxvj) Jtem dat alle Boet=Meesters sullen moeten boeten oft dies niet en doene, ende die ghemeyne Ghesellen dat hooren, sullen selve die Boete moeten betalen, ende alsoo dickmaels sy daer teghen segghen, soo salmen die boet=Meesters die boete moghen dobbel afnemen.

(xxvij) Jtem dat alle Guldebroeders op Sinte Sebasteaens dach moeten mede breinghen eenen Mutzaert [= takkenbos], ofte een Wishoudt [= door twijgen samengebonden hoeveelheid hout], ofte eenen halven stuyver daer voor, ende dat verthoonen voor die Boet Meesters.

(xxviij) Jtem dat eenighe Guldebroeders nyemant anders en sullen moghen drincken leyden oft op die Gulde breinghen, maer wel van die andere guldebroederen van binnen onsen dorpe wel onder malcanderen sonder van yemandt daer toe te segghen, ende oft ghebeurde dat eenighen van onsen Guldebroederen eenen vriendt over quame, ende wy op die Gulde waren mach wel geschieden met consente vande Dekens, op die verbeurte van een pont was.

(xxix) Jtem oft ghebeurde dat wy mosten ten schietspele trecken, ende in noot van goede schutters waren, dat wij sullen alle Jaer uyt die Jonghe Gulde van Langhdorp twee Guldebroers sullen moghen nemen tot onsen behoeve ende in onsen Gulde ontfanghen, ende by alsoo oft ghebeurde, die zelve ghecosen synde ende hen daer inne weygheringhe maken, ofte oock die Dekens vanden Jonghen Gulde, dat wyse [= wij ze] sullen moghen daghen met onzen Knape vander Ouder Gulden voor onse Hoocheyt op dobbelen cost, ende die van stonden ane [= ogenblikkelijk] op te legghen ende te betalen, ende daerenboven te verbeuren alzoo dickmaels als sy daer teghen segghen een pont was tot behove van Sinte Sebasteaen.

(xxx) Jtem oft ghebeurde dat yemandt potten brake als wy vergadert syn, salder twee voor eenen moeten coopen, ende alzoo dicwils als sy daer teghen segghen, dat sy daer aen verbeuren een pont was.

(xxxj) Jtem als yemandt potten uyt drinckt, dat sy niet en sullen moghen cloppen. Maer den Knape selve den pot moeten draghen, ende nyemandt en sal den pot metten biere moghen wech draghen, vande Camere, ofte uyten hoff, om een andere daer mede te bescheincken, die in die Gulde niet en zyne, op verbeurte van een halff pont was tot behoeve van Sinte Sebasteaen.

(xxxij) Jtem oft ghebeurde als wy vergadert syn ende de sommighe vanden meestendeel begheerden thuys te gane, soo sullen die Dekens met den Knape moghen verbieden te tappen, ende het Bier op te houden tot tzanderdaechs, ofte alsoomen [= alzo men] dat ordineert sonder teghen zegghen van yemant op verbeurte van x stuyvers.

(xxxiij) Jtem datmen malcanderen niet en zal moghen breinghen ofte toe drincken met oorden ofte halve Kannen Biers. Maer eenen yeghelycken te belaten [= in een toestand laten] drincken alsoo vele ende liettel [= weinig] als hy begeert, ende datmen ghelyckerhandt [= tegelijk] sal moeten gaene inde Vespere ofte Loff alsmen die Santen [= heiligenbeelden] om ghedragen heeft, om die als dan op te setten ghelyck dat behoort, ende by alsoo oft ware dat men yemandt bevondt te blyven drincken, dat men dien boeten sal, ende sal verbeuren dat hy die naeste reyse (alsmen Sinte Sebasteaen omdraghen sal) moeten voor Sinte Sebasteaen gaen inde Processie in syne lyne [= linnen] cledere alsoo langhe de Processie weder inde Kerck is.


Dr. Paul Kempeneers. Tienen, 7 december 2010.

Umbrakel

Op de Blog van het Nieuwsblad Hoegaarden:
HOEGAARDEN - Zondag wordt de vraag weeral gesteld: wat is het geheim van het umbrakel?
Of de voorafgaande vraag luidt: wat is een umbrakel? De Twaalf Apostelen in de palmezelprocessie dragen op het hoofd een schijf, symbool van hun heiligheid. Heiligen dragen hun aureaal van nature. Onze apostelen behelpen zich met aardse middelen. Een schijf op het hoofd. Wat het woord betekent staat niet in de dialectgids. Het lijkt op umbrella en dat is Engels voor scherm maar het umbrakel houdt je niet droog. Is het Latijn? Is het heilig?
Fundamenteler: hoe houdt een gelegenheidsapostel het umbrakel op zijn hoofd? Dat is een mysterie. Het kan slechts door sober te leven en te oefenen. Daarom dat discipelen, die de palmezel dragen, niet tegelijk een umbrakel kunnen dragen. Elke apostel heeft een eigen umbrakel, genetisch bepaald, dat overgaat van oud op jong binnen de familie. Bij sommigen is een plug ingeplant om het umbrakel op zijn plaats te houden. Anderen doen het met wilskracht.
Zondag herdenken de Apostelen, met het historische beeld van Christus op de ezel, de intocht van Christus in Jeruzalem: 9u. palmwijding in de kerk, 9u45 palmprocessie, nadien mis, markt, foor, palmverkloop aan huis. Tegelijk is er in om 14u30 muntenworp en om 15uur palmeierenzoektocht. In het gemeentehuis loopt de kunsttentoonstelling rond het thema 'Bier'.
Het gaat om de 382ste palmprocessie.

Antwoord van PK:

Umbrakel

Umbrakel komt van het Latijnse woord umbraculum. Het is een afleiding van umbra "schaduw". Latijns umbraculum betekent: een schaduwrijke plaats, een prieeltje, een studeervertrek, maar ook een zonnescherm. Bovendien werd umbraculum ook figuurlijk gebruikt in de betekenis van bescherming. In de verzameling charters "Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta", uitgegeven door Gysseling en Koch (Brussel, 1950), lezen we in het jaar 663 "sub umbraculo patrocinii abbatis Bertini". Abt Bertinus werd genoemd als een beschermheer. Het Latijnse woord umbraculum bleef in het Engels voortleven als umbrella, naam voor een paraplu. In de plaats van een zonnescherm werd de umbraculum in het vochtige Engeland een regenscherm. Umbraculum is ook bekend in de biologie. In zijn Franse vorm is umbracule bij de zaaddozen der mossen een regen- of zonneschermvormig aanhangsel. Wat de Hoegaardse apostelen dragen is dus oorspronkelijk een zonnescherm, een parasol.

Voorstad

Faubourg, later vertaald als Voorstad, komt de eerste keer voor in 1857 (Faubourg de Namur) en verdwijnt na de tweede wereldoorlog.

Voorstad Namen. Oude vormen: 1857 Faubourg de Namur (Verslag Tienen 1857), 1897 Rue Faubourg de Namur (op de kaart van Pieret), 1931 Voorstad Namen (Verslag Tienen 1931), 1940 Namen, Voorstad (Lijst). Hiernaast leefde de naam Naamsestraat: 1739 naemsche straete (Serie X 4), 1798 ruë de Namur (Hedendaags archief IX), enz.
De naam werd afgeschaft in 1955 en vervangen door Potterijstraat, naar de volksnaam Potterie (wegens een pottenbakkerij in de 19de eeuw), en door Bostsestraat voor het eerste deel tot aan de spoorweg (Dossier straatnamen).

Voorstad Mulk. Oude vormen: 1897 Rue Faubourg de Mulck (op de kaart van Pieret), 1910 Faubourg de Mulck (Lijst), 1929 Voorstad Mulck (Thiunas 1929), 1948 Mulck, Voorstad (Lijst). Deze gallicistische benaming verdween en werd vervangen door Mulkstraat, dat al voorkomt vanaf de 14de eeuw.

Voorstad Vissenaken. Oude vormen: 1863 Voorstad Vissenaeken (Kadastrale legger), 1874 Faubourg Vissenaeken Saint Martin (Bouwaanvragen 63). Tijdelijke naamgeving voor de Vissenakenstraat.

Bibliografie: P. Kempeneers, Tiense Plaatsnamen (1987), Thuis in Thienen (1999), Klapper op het Bevolkingsregister van Tienen, 1866-1890 (2003).

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional