Al meer dan 315.000 bezoekers!

Nieuwsbrieven

Publicaties

Nieuwsbrief december 2008

Tiense Sprokkel 276: Van vreemde afkomst (2/2)

Ook Delronge is geen naam uit Spanje of Portugal. Het is een herkomstnaam die verwijst naar een plaats ronce of ronche, dat braamstruik betekent. De naam is te vergelijken met zijn Nederlands equivalent Vanden Braembussche. In Walloni is de plaatsnaam ronce op heel wat plaatsen bekend, onder meer in Bornival, Nijvel, Bothey, Gembloers, Fourbechies, Hanzinne, enz. Het woord zelf is afkomstig uit de Latijnse accusatief rumicem met de betekenis braamstruik.

Van de naam Casteels bestaan veel varianten zoals Castel, Kasteel, Casteels, Castiels, enz. Hij komt uit het Nederlands kasteel, dat zelf is afgeleid van het Picardisch castel, Oudfrans chastel. Het is de beroepsnaam voor de kasteelbewoner of iemand die in de nabijheid van een kasteel woont. De oudst bekende naam is volgens Debrabandere in 1281 Woitino Casteel (Kortrijk).

Voor Debrabandere is Danckaer(t)s een Germaanse naam die teruggaat op de voornaam thank-hard, met de betekenis van gedachte of dank + sterk. In Aarschot is Danckaers een volksetymologische aanpassing van D’Ancre. Ancre is een plaatsnaam in Ogy (Henegouwen). De vreemde vorm werd vervangen door een beter bekende naam. In 1692 woonde de chirurgijn Peeter Danckaers in Aarschot in de Donderbus, een huis in de Neerstraat of de huidige Theo De Beckerstraat. De Donderbus is nu de linkerzijde van Standaard boekhandel. Op 3 januari 1692 maakte de chirurgijn zijn testament. Hier heet hij voluit Peeter Danckaers alias d’Ancre.

Mensen van bij ons emigreerden naar zuiderse streken en namen uiteraard hun naam mee. Een bekend Germaans stamelement is hugu, met de betekenis van verstand of denkende geest. Het woord overleeft in geheugen en heugenis, maar ook in de voornaam Hugo. Een zekere Hugo vertrok eeuwen geleden naar Bretagne. Hier werd zijn naam verbogen. Het element hugu leverde veel varianten op, zoals Hugon, Hugot, Hugue, Hues, Huwe, Huon.

De naam Naveau komt uit het Luikse. Het Middelfranse woord naveau is een verkleinwoord dat teruggaat op het Latijn napus koolraap. Mogelijk waren de eerste mensen met deze naam verkopers van rapen of van raapzaad. De bekendste Naveau in Tienen was landmeter. Tussen 1754 en 1758 maakte hij een kaartenboek van de akkers en weiden rond de toenmalige stadskern.

Slot.


Dr. P. Kempeneers.

Verschenen in de Publipers op donderdag 4 december 2008.

Reddelen met Rubbens

Non omnis moriar

Uit een brief van Leon Rubbens (1901-1981), gedateerd Ukkel, 7 juli 1981:
Want sedert ze mij in de broederschap van de tachtigers hebben ingeschreven, begint mijn horizontlijn niet zo wazig ver te liggen. En dank zij dit beeld Pikke Stijks "non omnis moriar". (Ik zal niet helemaal sterven).


1. De schrijver Leon Rubbens

De bekende Tiense dialectschrijver Leon Rubbens werd geboren in Tienen op 26 februari 1901. Na zijn humaniorastudies in de Grieks-Latijnse afdeling te Tienen, studeerde hij filosofie en theologie aan de universiteit. Na zijn studies werd hij aangesteld als leraar aan het Sint-Maria-gesticht te Brussel en daarna aan de Katholieke Normaalschool op de Waaiberg te Tienen. In 1940 nam hij deel aan de 18-daagse veldtocht, werd gevangen genomen en verbleef vier maanden in het officierskamp te Fallingbostel (Duitsland). Hij verliet het onderwijs en werd gedurende dertig jaar beheerder van vennootschappen te Brussel. Hij stierf in december 1981, in zijn "Residentie Elyse", Floridalaan 79, in Ukkel.
Hoewel Rubbens als musicus zeer actief was, bleef hij in Tienen een onbekende, tot hij op het idee kwam om een boek in het Tiens dialect te schrijven. Zijn boek Pikke Stijks was op n maand uitverkocht. Dit was ook het geval met het vervolg Kollebillekes dat in 1958 verscheen. Daarna was het weer stil rondom Rubbens.
Intussen was ook het derde deel van de Tiense trilogie klaargekomen. Het feit dat het derde deel Bompa niet gedrukt werd, lag de auteur jarenlang op de maag. Ik laat hem zelf in het Tiens aan het woord.

"Bompa leid al mir as tien joor in 'n loaj van mnne beroo te zwmele n te druze. Ich hm betoere in berood gestoon ver hem loote aat te gve, maa ich zn altd blve toaren n as enne mins ne ki begint aat te stlle ... Enne vrind haa mich, in den td, beloufd da d'heum zoo zairrege ver het hrdukke van Pikke Stijks n ver het aatgve van Bompa. Maa da wr mar ne schijt in 'n fles, gelk as z'in Keumteg zeie. Dow s noet niks van gekoume. Noo, dan hei mich hie zoeveul blaa's oep mn moo koume spijte. Doveur rijkel ich oep da wai nemi."

In 1979 en 1980 werden Pikke Stijks en Kollebillekes fotografisch heruitgegeven. Op 21 november 1980 kwam ten slotte Bompa op de markt, jammer genoeg met stapels drukfouten.


2. Rubbens letterkundige kwaliteiten

Tot in een niet zo ver verleden was de taal van de Vlaamse elite het Frans. Het gewone volk sprak dialect. Een treffend voorbeeld van deze situatie vinden in Bompa, meer bepaald in het hoofdstuk B Bompa mij no t' Kastil. In het kasteel woonde de Baron de Pisard de Catendreck met zijn vrouw Vera Spinez de Cannemy. De namen zijn uiteraard fictief en sterk ironisch. Humor is het enige wapen tegen de machtigen.
De omgangstaal was Frans, zodat het lagere volk, dus de knechten en de meiden, zich om den brode moesten aanpassen. De laatste meid op het kasteel, afkomstig van het dorp zelf, was Vir van Spraat. Deze merkwaardige vrouw neemt echter haar rol van tweederangsburger niet meer en trekt er met veel lawaai van door. Dit fragment toont duidelijk de nieuwe verhouding aan, tussen de verarmde adel met veel pretentie en een bewustgeworden Vlaamse arbeidersklasse.
Indien Rubbens zijn boek in het Nederlands geschreven zou hebben, had hij allicht de allures en de bekendheid gehad van een Willem Elsschot of een Charles Dickens. Zo wordt de baron in het boek Bompa op een meesterlijke wijze afgeschilderd. Ter vergelijking lees ik het fragment in het Nederlands voor en daarna in de originele Tiense versie. De lezer kan dan zelf oordelen.


Vernederlandste versie door P. Kempeneers (Bompa, blz. 154-155).

De baron was een lange spriet met nog wat ruig vel over de benen, zodat je zou gezegd hebben: een verkneukelde boonstaak. De mensen waren altijd bang, als ze hem afgepikkeld zagen komen, dat hij zou struikelen en in twee, drie stukken zou gevallen zijn.
- "Dat is gemakkelijk, zo scherp zijn", lachte Wakke Radijs altijd. "Als je aan je deur komt, en je hebt je sleutel niet bij je, dan kun je altijd door het sleutelgat naar binnen kruipen."
Hij had zo'n bruin verrimpeld gezicht, zo bijna als een oude verdroogde aardappel.
- "De verwoeste gewesten", zei die van Nekke Piskous altijd als hij hem zag afkomen."
Ik dacht dikwijls dat hij erg geleek op die vieze koning van Egypte, van wie een portret in mijn geschiedenisboek stond: Mummie van Ramses II, 13e eeuw voor Christus, stond er onder geschreven.


In de Tiense versie luidt het fragment als volgt.

De baron wr zoewe ne lange spriet, mar jeust ewa raaig vel nemi euver de bine, da ge zoo gezeid hemme: ne verneukelde boenstk. Da ne mins altd schrik haa, as g'heum zaag afgepikkeld koume, da ter zoo battelen n in twi, dr staikke gevalle zn.
- "Da's gemakkelk, zoe schrep zn," lachte Wkke Rads altd. "As ge dan veur oer deur komt, n g'hei d'oere sleuter ni b, dan koen ge deur het sleutergat binnekraape."
eum haa zoew e braan verreumpeld gezicht, zoee bekans gelk 'n aa verdreugde petot.
- "De verwoeste gewste", zeide da van Nkke Piskaas altd as ter heum zaag afkoume.
Ich tocht dkkes, da ter ng trok oep a vieze keunink van Egypte, da z petrt in mnne boek van Geschiedenis stond. "Mummie van Ramses II, 13e eeuw voor Christus" stond ter onder geschrijve."


Ontroerend is het verhaal van Pastoorke Sasa in Kollebillekes. Op het einde van het hoofdstuk (blz. 74) wordt de pastoor begraven. Ik herschrijf in het Nederlands.

De dag dat pastoorke Sasa begraven is, had het 's nachts goed gevroren en 's morgens wat gezabberd, en het was zo afgrijselijk glad, dat je de ene voet niet voor de andere durfde te zetten. De dragers - want toen bestonden er nog geen corbillards - hadden alle moeite van de wereld om niet met hun blaasbalg de grond op te gaan.
En het schijnt dat Juul, de ouwe koster, die ook achter het lijk meeslofte, met een paar kousen over zijn schoenen getrokken, achteraf vertelde: "Ik verwachtte er me elke minuut aan, dat het pastoorke ineens uit zijn kist ging kruipen om zijn zwarte sjaal voor hem open te gooien. En ik hoorde hem nog zeggen: "Sa, sa, sa ! Is me dat vandaag een expeditie, koster. De straat is een echte spiegel. Sa, sa, sa !"

En in het Tiens van Rubbens:

Den dag, da pesturke Sasa begraven s, haa 't 's nachts goed gevrouze n 's mreges ewa gezabberd, n het wr zoew afgrselk geltteg, da ge den ine voet veur den andere ni dost ztte. De dragers - want toen bestonte ter nog gin corbillards - haa alle moette van de wled ver ni b heunne bloosbalk de grond oep te goon.
En het schnt da Jeul, den a kaister, dan och achter het lk mijsloefte b e poar kaasen oep zn schoene getrokke, ternowe vetrlde: "Ich verwachte ter mich alle menuten oan, da 't pesturken inins aat zn kist goenk kraape ver znne zwtte sjaal veur heum oep te smte. En ich hude n'heum percies nog zeie: "Sa, sa, sa ! Is me dat vandaag 'n expeditie, koster. De straat is 'n echte spiegel ! Sa, sa, sa !"

Is hier Leon Rubbens of Ernest Claes aan het woord ?


Dr. P. Kempeneers.

De bibliotheek van...

1700, DAT IS VOOR MIJ GISTEREN!

Paul Kempeneers (promotie 1977)


In de Leuvensestraat in Tienen staat het huis van de familie Kempeneers. De geschenkenwinkel Kado op de benedenverdieping is het terrein van mevrouw Kempeneers. Om het domein van Paul Kempeneers te bereiken, moet je de trap op tot helemaal op de bovenverdieping. Hier bevinden zich zijn bureau en bibliotheek. Samen met het stadsarchief van Leuven vormen ze de voornaamste werkbiotoop voor het plaatsnaamkundig onderzoek van Kempeneers.

Paul Kempeneers (1935) heeft een rijke staat van dienst. Als achttienjarige schreef hij zich in aan de Antwerpse Zeevaartschool. Een jaar lang voer hij met het zeilschip Mercator en het stoomschip Louis Sheid de halve wereld rond. Hoewel hij na dat jaar een punt zette achter zijn zeemansbestaan, lag hier de oorsprong van zijn latere liefde voor aardrijkskunde en water. Na zijn opleiding tot regent en zijn legerdienst in de officierenschool van Aarlen, werd hij leraar in de Provinciale Normaalschool in Tienen. Gedurende elf jaar was hij ook stadsbibliothecaris van Tienen. Hij behaalde het graduaatdiploma in de Bibliotheekschool van Brussel en begon meteen daarna aan zijn opleiding Germaanse talen. Een late roeping dus.

In het begin dachten ze dat ik een assistent was
Paul Kempeneers besloot Germaanse talen te studeren toen hij in de bibliotheek van Tienen werkte. Daar kwamen al eens eerstejaarsstudenten Germaanse talen opzoekingswerk doen voor een paper. Kempeneers hielp ze daarbij en raakte zo steeds meer genteresseerd in wat ze deden. Ze waren allemaal geslaagd en daardoor gestimuleerd leende hij tijdens de vakantie hun cursussen zodat hij de vakken van de eerste kandidatuur Nederlands-Duits zelfstandig kon studeren. Nadat hij was afgestudeerd aan de Bibliotheekschool, nam hij in september al deel aan de examens van het eerste jaar Germaanse. Hij slaagde en kon aan het begin van het daaropvolgende academiejaar meteen in de tweede kandidatuur beginnen. Op zes jaar tijd heeft Paul dus zowel zijn diploma voor bibliothecaris als zijn licentie Germaanse talen behaald.

Kempeneers had een goede relatie met zijn medestudenten. "Natuurlijk, van de tweehonderd ken je er niet veel. Bovendien was ik toen al een eind in de dertig, waardoor er in het begin velen zullen hebben gedacht dat er een assistent de aula binnenkwam." Hij kon ook lang niet altijd in de les zijn want hij werkte nog steeds voltijds. Daarom moest hij notities lenen bij een aantal bevriende studenten, bijvoorbeeld bij Fred Lens, die nu woordvoerder van de Post is. In de licenties werd het een stuk makkelijker om vakken te volgen. "Dan was er bijvoorbeeld een les van 18 uur tot 20 uur en die volgde ik dan. De gekste dingen heb ik daar gedaan. Wat geen kat ging volgen, daar ging ik naartoe."

Paul ontmoet nog geregeld sommige van zijn vroegere proffen op congressen. Van hen staat Karel Roelandts de oudste nog levende professor Germaanse hem nog goed bij. Roelandts was de begeleider van zijn proefschrift, Hydronymie van het Dijle- en Netebekken, dat hij in 1982 verdedigde. Kempeneers werkte over dat onderwerp omdat er toen nog niet veel onderzoek over waternamen bestond. "Je ziet dat ik veel met water bezig ben!" (lacht) Tijdens dat onderzoek merkte hij dat er ook nog veel dorpen en steden waren waarvan de namen nog nooit toponymisch onderzocht waren en zo werd zijn al bestaande interesse in plaatsnaamkunde verder aangewakkerd: "Ik hield me al langer bezig met de toponymie van Tienen, maar ik was niet tevreden met wat er tot dan toe over was verschenen. Daarom heb ik na mijn proefschrift zelf een toponymie van Tienen gemaakt, in twee delen, volledig gebaseerd op archiefonderzoek." Sindsdien liet de toponymie hem nooit meer los, zodat hij uiteindelijk tal van boeken en artikels schreef over de toponymie van verschillende steden en dorpen, bijvoorbeeld over Landen, Kumtich, Oplinter. Een aantal van zijn onderzoeken zijn verschenen in de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, een lijvig en tweetalig jaarboek dat sinds 1927 verschijnt.

Zijn interesse voor de toponymie van Tienen leidde in 2000 ook tot een opmerkelijk initiatief dat toen zelfs de krant haalde: hij wilde graag dat in Tienen naast de huidige straatnamen ook de oude naam van een aantal straten op de bordjes vermeld zou worden. "Ik ben daarmee begonnen omdat ik er een hekel aan heb dat men straatnamen uit de middeleeuwen afschaft om daar dan een burgemeestersnaam op te plakken. Voor mijn part mogen die burgemeesters een nieuwe straat hebben, maar om daar dan eeuwenoud erfgoed voor af te danken, dat gaat me te ver. In 1905, dat is nu wel al een tijd geleden, hebben ze bijvoorbeeld van de Langestraat de Victor Beauduinstraat gemaakt. Als het aan mij lag zou het weer Langestraat worden, maar dat zoiets na honderd jaar moeilijk ligt, kan ik me voorstellen." Kempeneers' voorstel hield in dat de stad onder de huidige naam aan zou geven wat de oorspronkelijke straatnaam was. Een groep Tienenaars wilde echter verder gaan dan dat en stelde voor om die oorspronkelijke naam er in het dialect op te zetten. "Dat is voor mij nooit de bedoeling geweest, want in oude teksten zijn die namen ook nooit in het Tiens geschreven. Ik wilde het Leuvense voorbeeld dus niet volgen." Aangezien er geen eensgezindheid was, heeft de stad dan uiteindelijk besloten alles te laten zoals het was.

Literatuur is aan mij niet besteed
Een blik in Kempeneers' bibliotheek onthult een verrassend klein aantal romans. Je vindt er vooral romans die hij in zijn studentenjaren moest lezen. Paul Kempeneers heeft zich ook toen nooit intensief met de literatuur beziggehouden. Waar hij de keuze had, legde hij zich toe op de taalkundige vakken, onder meer Gotisch. Paul houdt zich ook nu in zijn vrije tijd niet veel bezig met fictieboeken. "Er zijn er nogal veel waar ik geen half uur in kan lezen. (lacht) Geef mij geen Brusselmans. Daar lees ik wel eens een bespreking van, maar de roman zelf lees ik niet." Zijn interesse ligt bij non-fictie. Hij kan bijvoorbeeld uren lezen in het Zeeuws etymologisch woordenboek van Frans Debrabandere. In zijn bibliotheek staan dus vooral taalkundige werken en nogal wat woordenboeken.

Het mag dan ook verbazen dat Kempeneers in 1970 zelf een fictieboek heeft geschreven, Schimmen uit de ruimte, een sciencefictionroman voor de jeugd. Kempeneers legt uit: "Ja, dat was voor een weddenschap. lk had net een grammatica voor de jeugd geschreven.
En toen zei iemand: "Eigenlijk is dat toch niet zo moeilijk, je schrijft hier en daar wat over en je hebt een boek. Als je nu eens een jeugdroman zou schrijven ..." Ik zeg: "Wel, ik schrijf u een jeugdroman!" En dat heb ik dus gedaan."
Kempeneers schreef het boek tijdens de vakantie in welgeteld een week. Toen het of was, stuurde hij het op naar uitgeverij Van In. Die liet het nalezen door Cor Ria Leeman, toen een populaire jeugdauteur. Die stuurde een briefje terug: "Ik vind het een schot in de roos!" Hoewel science-fiction een opvallende keuze lijkt, heeft Kempeneers nooit bewust beslist om dat genre te gebruiken. Het ontwikkelde zich eerder toevallig in die richting vanuit een jeugdherinnering. "We gingen vroeger met de scouts op kamp in de Ardennen. Vanaf La Roche moesten we te voet naar een klein dorpje waar onze kampplaats was. In mijn boek heb ik daar M. van gemaakt, om het geheimzinnig te maken, maar eigenlijk is dat Maboge. Er waren daar toen geen wegen naartoe, dus moest je met een hele hoop kampmateriaal een kilometer door het bos zeulen. Door de kampleiding werden we een beetje bang gemaakt met griezelige verhalen over de 'Zwarte Madam' die daar in het bos zou wonen. En dat heeft mij dus genspireerd." In plaats van een Zwarte Madam gaat het in het boek over schimmen die uit de ruimte komen. Kempeneers' zoon vond het in elk geval een goed boek: hij heeft het zeker vijf keer gelezen.

Ondanks het feit dat Paul Kempeneers zich niet erg bezighoudt met fictie, is het boek dat hem het naast aan het hart ligt een roman. Het gaat om het enige boek dat hij ooit van zijn vader kreeg, een sciencefictionwerk van R.H. Benson, De vorst dezer wereld. "Het is best al oud - de Engelse versie, Lord of the World, is van 1907 - maar wel ongelooflijk boeiend geschreven.
Ik werd vijftien en daarom kocht mijne pa mij een boek. Dat deed hij anders nooit. Ik vond het echt heel fijn." Op de vraag of er volgens hem boeken zijn die iedereen wel eens gelezen zou moeten hebben, vindt Kempeneers het moeilijk te antwoorden aangezien de leescultuur voortdurend verandert. Waar men tien jaar geleden van zei:
"Dat moet je toch zeker gelezen hebben!" dat kent nu geen kat meer en dat vindt Kempeneers jammer. Hij kan er wel twee noemen die hoewel ze al heel oud zijn toch nog altijd hun waarde hebben. In de eerste plaats Candide van Voltaire, want daar heeft volgens hem iedereen iets aan. Een tweede aanrader is De lof der zotheid of Laus stultitiae van Erasmus. "Dat zouden alle onderhandelaars moeten lezen voor ze rond de tafel gaan zitten." (lacht)

In de boekencollectie van Paul Kempeneers tref je hier en daar ook een oud boek aan. Zo heeft hij een reeks van ongeveer een meter Lang met werken van Voltaire. Ondanks die lengte is de reeks niet volledig, maar dat is omdat hij er toevallig aan gekomen is. "Mijn schoonvader liep zo'n twintig jaar geleden eens voorbij een groot herenhuis in Hoegaarden dat werd afgebroken. Er lag daar een hele hoop boeken buiten, allemaal opeen gegooid om te verbranden. Hij wist dat ik daar belangstelling voor had, dus heeft hij die allemaal in zijn bestelwagen geladen. Terug thuis belde hij me op: "Ik heb een hele stapel boeken gevonden, maar het is wel in het Frans, iets van Volontaire." Ik zeg: "Oei, Voltaire, ik kom ze direct halen!"

De waarheid heeft haar rechten
Soms koopt Kempeneers ook wel eens een oud boek, hoewel hij daar niet meteen een fortuin aan wil uitgeven. Een vriend van hem is daar wel bezeten van. Die vriend gaat in antiekzaken en op internet echt op zoek naar wat er wordt aangeboden. Hij wil wel alleen maar documenten die iets met Tienen en omstreken te maken hebben. Hij vraagt dan aan Kempeneers of hij ze wil lezen en of hij wil beschrijven wat er allemaal in staat.
Paul gebruikt deze documenten maar zelden voor zijn naamkundig onderzoek. Meestal gaat hij daarvoor naar het Rijksarchief van Leuven waar je soms op heel interessante zaken stoot. "Er is bijvoorbeeld een familie in het Hageland die Vicca heet. Die beweren dat ze afstammen van een Spaanse generaal die door de Hertog van Alva naar hier was gestuurd om tegen de Geuzen te vechten. Vlak voor het begin van een veldslag, waar hij in de minderheid was, bad hij tot Onze Lieve Vrouw en behaalde zo de overwinning. Nadien heeft hij dan uit dank in Attenrode-Wever een kapel gebouwd. Nu nog wordt daar op vijftien augustus een processie gehouden met veel blabla en weet ik wat nog. Ik heb dat onderzocht en ontdekt dat die Vicca absoluut geen Spanjaard is. Het is gewoon een Vlaming die Vickaerts heette. Waar hij dan precies vandaan komt, weet niemand met zekerheid want daar zijn geen teksten over gevonden. Maar dat hij uit Spanje zou zijn gekomen, is gewoon onjuist. Je kunt je inbeelden dat die familie daar niet mee gediend was." Daarnaast vond Kempeneers in het Rijksarchief ook nog een document uit 1772 waaruit bleek dat een van de Vicca's eigenlijk een crimineel was. Het hele verhaal is te vinden op zijn site www.kempeneers.org, die overigens voortreffelijk is opgebouwd en veel informatie biedt. "Iedereen mag dat zien. Ja, dat is nogal wat anders dan "Wij stammen af van een generaal!" (lacht) Men verbloemt dat verleden altijd zo. Enfin, daar houd ik me dus ook mee bezig."

Ook veel van de boeken die hij zelf schreef, gebruikt Kempeneers geregeld voor zijn toponymisch onderzoek. Ze staan dan ook allemaal bij elkaar in zijn bibliotheek. Toponymie is trouwens niet het enige waarover hij geschreven heeft: Kempeneers merkte een tijd terug op dat er in het Rijksarchief veel studenten waren die moeite hadden om het handschrift in oude manuscripten te ontcijferen. Om hen daarbij te helpen heeft hij het boekje Oud schrift gemaakt, waarin hij uitlegt wat bepaalde afkortingen en krullen betekenen, zowel in Nederlandse, Franse en zelfs Latijnse manuscripten. Het werk heeft nogal wat succes. Garant, de uitgever van Oud schrift, verklaart dat succes doordat nogal wat jonggepensioneerden zich bezighouden met het verleden en met oude teksten. Kempeneers kan zich daar in vinden. Zo herinnert hij zich nog dat op de grote markt in Tienen iemand piano speelde tijdens een stomme film. "Dat noemden ze dan de vlooikescinema. Dat kun je je nu nog moeilijk voorstellen want intussen heb je Kinepolis en zo, maar eigenlijk is dat allemaal nog niet zo lang geleden. Natuurlijk, als je nog maar twintig bent, heb je er geen flauw benul van dat honderd jaar eigenlijk niet veel is, maar dat is echt zo. Wat ik allemaal lees in het Rijksarchief, dat kan ik me goed voorstellen. 1700, dat is voor mij gisteren!"

Ook al duikt Kempeneers graag - en diep - in het verleden, hij gaat toch ook met de moderne tijd en de hedendaagse technologie mee, zoals zijn website illustreert. Volgens Kempeneers heeft dat niets met leeftijd te maken. "Er zijn mensen van veertig jaar die zeggen 'Dat is niets meer voor mij'." Maar zo werkt het niet bij Paul en hij is niet de enige. Hij vertelt hoe hij een tijdje geleden in Mechelen in het archief zat en daar een man van een jaar of vijfentachtig zag binnenkomen. Het eerste wat die man deed, was zijn boekentas neerzetten en er een laptop uithalen. "Niet iedereen van mijn generatie heeft schrik voor computers!"


Fran Mahieu
Katleen Vansant

Bron: Mededelingenblad van de Leuvense Germanistenvereniging. Eenentwintigste jaargang (2008), 2.

© 2008 Edelhart Kempeneers
XHTML 1.0 Transitional