Nieuwsbrief Dr. fil. Paul T.C. Kempeneers

Paul Kempeneers is doctor in de Germaanse filologie.
Op de webstek www.kempeneers.org vindt u zijn publicaties, geschiedkundige kaarten, en verscheidene artikels.

Sprokkel 264: De Waroetsen Eusel. 6 maart 2008.

In 1753 was de abdij van Averbode "bij evictie" eigenaar geworden van "den waeroetsen eusel", een weide die toebehoorde aan Jan Nagels. Deze kon een cijns aan de abdij niet betalen, zodat de abt meester werd van het weiland. Dit perceel lag op de Maneschijn in Kapellen en was 10 dagmalen groot. Ik heb deze eusel kunnen lokaliseren op B 83-84-85.

In eusel zit een oud werkwoord "eeuwen" dat voederen betekent. Uitgebreid met –sel is een eusel (uit ouder eeuwsel) een magere weide. Om het eerste lid te verklaren moeten we in het archief duiken en op zoek gaan naar oude vormen. In 1562 bezat de Tiense Armentafel in Kapellen een halve bunder in het Ongelegen Blok, dat grensde aan "dat waenroetsche eusel". Hiermee wordt het eerste lid duidelijk. De Waroetse eusel is een vervorming van de "Waanrodese eusel". Het was dus een weiland dat had toebehoord aan de heer van Waanrode.

Een gelijkaardig voorbeeld is de Rotsewouwer in Glabbeek. Oorspronkelijk luidde deze vorm in 1422 "den racen wouer", ook geschreven "den rasen wouwer". Deze vijver is dezelfde als de Raatsenpoel. Het eerste lid heb ik verklaard uit Razen, uit de Germaanse voornaam Razo, een vleivorm van rêda "raad". In 1600 heet de vijver "den roetsche vyuere", in 1629 "de roetsche wauwer" en in 1682 "den Rotschen vijuere". De vijver lag in het gehucht Rode in Glabbeek. Wouwer is een afleiding van het Latijn vivarium "visvijver". Rotse is een adjectiefafleiding van Rode en is gewoon een verscherping van Rodese. De "Rodese wouwer" werd dus de Rotsewouwer. Rode is thans nog een straatnaam in Glabbeek.

De Rotsewouwer is een verdwenen vijver of poel op A 43, die werd gevoed door de Winterbeek. De vijver werd in de 18de eeuw door de familie Vicca drooggelegd en veranderd in een weide. Eeuwenlang werd de weg van Glabbeek naar Kapellen en vandaar terug naar de Dries in Glabbeek omschreven als de weg die liep van "de Rotsewouwer naar de Kwadeplas". Deze plas lag op de Dries, precies tegenover het Schutterhuis. Hij werd gedempt met het afbraakmateriaal van de oude kerk.

Volkstellingen in het Hageland. 16 maart 2008.

Volkstellingen in het Hageland Wie met zijn stamboom bezig is, kent de volkstellingen als een nuttige bron voor het opsporen van een voorouder. Het prettige aan de telling is, dat de hele familie bij elkaar staat.

Dr. P. Kempeneers raadpleegde bij zijn onderzoek naar de plaatsnamen van Hagelandse dorpen ook de archiefstukken, waarin de namen van de inwoners worden opgesomd. Voor Glabbeek tekende hij de namen op uit 1692 en uit 1709. Voor de telling van 1709 schreef hij ook de (soms moeilijk leesbare) namen op van de inwoners van Kapellen, Sint-Margriet-Houtem, Vissenaken en Zuurbemde. Hij groepeerde deze namen in een gemakkelijk leesbare brochure Volkstellingen in het Hageland. De eerste reeks omvat de namen van de inwoners van de genoemde gemeenten, 920 in totaal.

Om een voorouderlijke naam terug te vinden stelde Kempeneers per gemeente een handige klapper samen, die onmiddellijk verwijst naar een nummer in de lijst. Het boekje op A4-formaat is ingebonden in een plastieken map en telt 26 bladzijden.

Sprokkel 265: Het Fort van Pippijn. 20 maart 2008.

Door verscherping wordt een stemhebbende v veranderd in een stemloze f. Hierdoor wordt een voorde een fort. Voeg hierbij nog de naam van Pippijn en sommigen gaan fantaseren dat in Bunsbeek aan de Velp een fort heeft gestaan, gebouwd door het roemrijke geslacht van de Pippijns van Landen.

Onze voorouders wisten, in een tijd zonder bruggen, waar ze een waterloop konden oversteken: namelijk op een ondiepe plaats. Zulke plaats was een voorde. Beroemde namen in het buitenland zijn: Oxford (een voorde waar men met ossen kon oversteken) in Engeland en Frankfort in Duitsland. Ook de Noorse fjorden komen van hetzelfde woord als onze voorde. Dichter bij huis kennen we Bekkevoort, de doorwaadbare plaats van Bakki, vleivorm van de Germaanse naam Bakjo. Tussen Langdorp en Aarschot lag de Kalstervoort.

Op de grens met Bunsbeek was de Velpe doorwaadbaar. Daar liep dus een weg naartoe. De plaats werd bekend als de Puppensvoorde of de voorde van een zekere Pippijn die hier eigendommen bezat. Deze persoonsnaam heeft niets met Pippijn van Landen te maken. De naam Pippijn kwam vroeger meer voor dan nu. Bij het uitspreken van de begin-P worden de lippen gerond. Hierdoor veranderde de uitspraak Pippijn in Puppijn. De evolutie is goed te volgen in de oudste attestaties. Vergelijk in 1370 "apud puppensuoert" (lees: Puppensvoort), in 1379 "Jan van pyppensuort", circa 1400 "apud puppijnsuoirt", naast "in pippensuoirt", en verder in 1690 "puppelfort", in 1724 "puppersvoort", enz.

De naam Pippijn komt uit de kindertaal, namelijk uit de vleivorm Wibbo of Wippo. De W in het begin van het woord werd in de kindertaal vervangen door een P. Het element Puppens in Bunsbeek ontstond door ronding van de genitiefvorm Pippens. Pepijn is een verkeerde vorm. Het is een half vernederlandste vorm van het Franse Pépin. De Landenaars zouden dus beter Pepijn verbeteren in Pippijn.

De combinatie Pippijns + voorde leidde door verscherping tot Pippijnsfort en door ronding en verdoffing tot Puppensfort. Wie in Bunsbeek naar een echt fort gaat zoeken, is eraan voor de moeite.

Zijsprokkel 20: Het verdwenen klooster van Barberendaal. 29 maart 2008.

Een klooster voor Sint-Barbara

Het klooster van Barberendaal was eeuwenlang onder deze naam bekend: 1388 monasterium vallis sancte barbare, circa 1390 conuentus sancte barbare, 1400 des cloesters van barbaren dale te thienen, circa 1400 tcloester van sinte barbendale, 1404 claustrum vallis sancte barbare, 1449 dat closter van berbelendale, 1482 Tcloester van barberendale, 1518 den cloester van barbelendale, 1563-64 T cloester van berbelendale, 1636 T'Cloester van Berberendael, 1669 te berbelen dael werts, 1702 Cloister van barberendael, 1748 Het goets huys van Barberendael, enz.

Het eerste lid is de naam van Sint-Barbara. Het tweede lid dale is de datiefvorm van dal, die afsleet tot daal. Kloosternamen met -daal zijn mystieke namen die de aarde beschouwen als een (tranen)dal, waaruit de mens moet opstijgen naar de hemel. Enkele vormen van Barberendaal vertonen palatalisatie van de a (Berberendaal), terwijl de tweede r soms afwisselt met l (Berbelendaal).

Tussen Gete en Borggracht

Broeder Heinrick van Hoorn (frater henricus de hoorn) was prior van een vrouwenklooster in Sint-Remigius-Lens, ten zuidoosten van Hannuit. Volgens de Chronicon Bethlemiticum van Petrus Ympens kocht deze Heinrick in Tienen een erf om er een klooster te bouwen (fundus emitur construendo monasterio). Dit erf, gelegen tussen de Gete en de Borggracht, zou hebben toebehoord aan Hendrick de Chirurgijn. In 1388 verhuisde Van Hoorn met tien nonnen en twee lekenzusters naar Tienen. Hij stichtte er een nieuw klooster en droeg het op aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Barbara.

De kern van het klooster, gelegen aan de Neergete of supra jaceam inferiorem, was 3 ha 35 a 70 ca groot. Oorspronkelijk liep de Neergete langs de huidige Slachthuisstraat. Zie de tekeningen bij dit hoofdstuk. Rond de mansio lagen uitgestrekte terreinen. Het oudste cijnsboek beschrijft deze als volgt: Jtem de locis seu planicijs circum jacentibus dictam mansionem tam inter jaceam et borchgracht versus daelborne, quam iuxta plateam qua itur versus roesmolen inter jaceam et hereditatem domicelle sibilie de halle relicte Johannis de roesmolen et suorum liberorum, enz. Het domein lag derhalve zowel langs de weg naar de Daalborn (nu Molenstraat), als langs de weg naar de Roosmolen (nu Slachthuisstraat), en grensde aan het erf van Sibilia van Halle, weduwe van Jan vande Roosmolen, en haar kinderen.


In de loop van de 15de eeuw breidde het klooster zich uit, ten noorden van de Gete en ten zuiden van de Borggracht. Zo omvatte Barberendaal eveneens C 189 (min de grote omheining), C 195 en C 205, en verder C 16 en C 17.

Deze domeinen waren afkomstig van volgende eigenaars: 1) het domein van Jan Grauwel alias Vingerhoet, dat had toebehoord aan Symon Crauwels; 2) het erf van Jan Lyff; 3) de bezittingen van Arnold vander Hagen (de dumo), te voren van Peter Tyeloys; 4) de twee samengevoegde percelen van Godfried van Hoebroeck (te voren Henrick van Brabant en Henrick van Cranenbroeck) en van Jan vanden Clooster (te voren Jan van Bloemendale) en 5) twee terreinen waarop ze bomen mochten planten, namelijk het erf aan de Gete van Jan van Nederhem (te voren Jan Persoens en Wouter Mont) en een plein van Wilhelm Ketsinc, later van Godfried van Hoebroeck. De beboste terreinen komen overeen met C 16, nu het voetbalterrein van KVK Tienen, en met C 205, ingesloten tussen Gete en Borggracht. Let wel: Op deze plaats is de Gete vorige eeuw verbonden met de Borggracht.

Barberendaal bezat ook talrijke landerijen, weiden en bossen, zowel in Tienen als in de omliggende gemeenten. Op vraag van priorin Maria Theresia Paesmans tekende landmeter Naveau alle bezittingen op in een kaartenboek, dat hij op 22 september 1773 voorlegde (KAB 22.602). Het aantal percelen is indrukwekkend en weerspiegelt helemaal niet de armoede die de nonnen in vorige eeuwen hadden gekend. Volgens de plattegrond, opgemaakt door J.H. De Brie in 1784, vormden de kloostergebouwen een vierkant met in het midden een plein. De kerk bevond zich aan de noordzijde. Verder bezat Barberendaal een eigen paanhuis en een hoppekruidhof.

Klik hier voor de volledige zijsprokkel
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief versturen aan de webbeheerder.